PrivédomeinReizenReisverhalenPenínsula Valdés
Reisverhalen RSS Archief

Península Valdés 

Bekeken 990
Reacties 0
Beoordeling 0 keer beoordeeld
31-07-2010

Op het Argentijnse Valdés-schiereiland bekruipt je af en toe het gevoel naar het einde van de wereld te rijden. Reisjournalist Jacques van der Linden en fotograaf Paul Tolenaar verkenden deze Patagonische steppe, op zoek naar zeeolifanten en walvissen.

 

Tekst Jacques van der Linden

 

Twee uur vliegen of 1500 km rijden vanaf Buenos Aires en je staat voor de entree tot Península Valdés: een eenvoudig tolhuisje bij een asfaltweg. Het schiereiland, dat zo’n beetje halverwege Buenos Aires en Vuurland ligt, heeft een Unescostatus, al je dat niet meteen zou zeggen. Wind jakkert over de steppe, voor ons een streep asfalt tot aan de horizon. Langzaam zakt de zon in de verte. Doel van dit avontuur? Zeeolifanten en walvissen.

 


Walvisparadijs?

Een uur later zitten we in de warmte van Hosteria The Paradise in Puerto Pirámides. Het dorp, een lange straat tussen een baai en hoge duinachtige hellingen, heeft wel wat weg van een town in een Western: houten huizen met een kleine veranda, een paar winkels, wat restaurants, en een benzinepomp als pleisterplaats.

De eetzaal van de hosteria voelt als een knusse Alpenblokhut. Reizen maakt hongerig. We bestellen milanese – de Argentijnse variant van onze biefstuk met frites. Boven de bar hangt een plasmascherm. Er draait een promofilm over zuidkapers. “Jullie zullen ze morgen gegarandeerd zien”, zegt Selva, de serveerster die ons nog een tweede Quilmesbier (het Heineken van Argentinië) inschenkt. “De walvissen zijn nieuwsgierig. Ze komen tot vlak bij de boten.”

Puerto Pirámides bestaat bij de gratie van de jaarlijks terugkerende zuidkapers, wordt ons duidelijk gemaakt. Van juli tot december zoeken ze beschutting in de Golfo Nuevo (de baai bij het dorp) om er te baren en hun kalveren groot te brengen. Om tien uur hebben we genoeg tv-walvissen gezien. We verlangen naar een bed en naar de dag van morgen.

De volgende ochtend waait het hard. Zand schuurt onze gezichten als we, in afwachting van het ontbijt, door Puerto Pirámides lopen. “Helaas heren. Alle walvistrips voor vandaag zijn gecancelled. Er staat windkracht zes tot zeven.” De boodschap van Selva is duidelijk. Weg walvisexcursie. Wat nu? Selva weet een alternatief. Ze spreidt een kaart uit en wijst naar een rotspunt buiten het dorp: Punta Pardelas. “Met een beetje geluk kun je daar vanaf de klippen walvissen zien.” We zijn al weg.

Hemelsblauw, intens donkerblauw. Blauwer dan de lucht bij Punta Pardeles kun je het niet krijgen. Wat een plek. De Atlantische Oceaan gaat woest tekeer. Met moeite kan ik me staande houden in de wind. Schuimbekkend slaan metershoge golven tegen de klippen. Zelfs meeuwen wagen zich niet buitengaats. En één walvis zou wel leuk zijn geweest, al was het alleen maar een T-staart van een zuidkaper die boven de golven uitkomt…

 


On the road

Je bent Unesco-werelderfgoed of je bent het niet. Met 500 km kustlijn, 3625 vierkante km land en amper 450 inwoners is er op het Península ruimte genoeg voor zoogdieren en vogels: ter land, ter zee en in de lucht. De einder is overal.

Het schiereiland lijkt zo plat als een pannekoek. Gravelwegen trekken sporen over de landtong. Bermborden met ‘60 / MAXIMA’ herinneren ons eraan dat we in onze kleine huurauto het gaspedaal nooit helemaal moeten intrappen. Ook al is dat verleidelijk op een brede kiezelstrook, waarover hooguit eens in het kwartier een stofwolk een tegenligger aankondigt.

Kleurig wordt het als we ineens rode vlaggen zien, wapperend in de wind. Dichterbij gekomen staan we naast een klein bermkapelletje. Het is onze eerste Gauchito. “Her en der vind je deze huisjes met olielampjes”, had Selva ons al voorspeld. Ze zijn door de oorspronkelijke bewoners neergezet als eerbetoon aan de gauchos, de vrijbuiter cowboys die tot eind 19de eeuw met hun vee over het land zwierven.

Er verdwijnt een cd in de autoradio. Carlos Gardel, dé Argentijnse tangokoning, zingt gepassioneerd over Buenos Aires en over verloren liefdes. Net als de melancholie dreigt toe te slaan, sturen we omhoog; een oneffenheid van moeder natuur.

Achter de heuvel ligt Salina Grande, een zoutvlakte, 40 meter onder zeeniveau en daarmee meteen de laagste plek van Argentinië. De witte salina trilt in de hitte van de middag. “Zie jij wat ik zie?”, vraagt reisgenoot Paul. “Ik heb het gevoel naar een ijsvlakte te kijken. Schaatsen onder en rijden maar.” Tijd voor mij om het stuur over te nemen.

Verder gebeurt er niets. Dat wil zeggen, een zandstorm trekt over onze kleine huurauto en we passeren drie borden van Estancia’s die verwijzen naar landerijen van schapenboeren, diep verscholen op de Península. Ik vraag me af wie of wat hier kan overleven op de steppeachtige grasvlakten. Het antwoord krijgen we onderweg. Vanuit de auto zien we – later die dag – een paar nandoe’s (een struisvogelsoort) en regelmatig steken er guanaco’s (neefjes van de lama) de weg over. Bermborden maken ons ook attent op armadillos (gordeldieren) en mara’s (de pampahaas). Helaas kunnen wij die niet aan ons Small-Fourlijstje toevoegen; we krijgen ze niet te zien.

 


Mister macho

We stranden voor een hek. Ruta 2 loopt dood bij Punta Delgada. We hebben er dan zo’n 90 km opzitten en snakken naar een drankje en iets te eten. Dat kan. Bij de faro prijkt een restaurant. Het is inmiddels één uur en de tent naast de vuurtoren zit gezellig vol. Aan het spit draait een varken boven houtskool: het is parilla, gegrild vlees, hét nationale gerecht.

“Parilla, pasta o pollo?” (Varken, pasta of kip?), vraagt de ober. In no time staan pasta, parilla, salade en wijn op tafel. De rekening volgt er meteen achteraan. 157 peso. Is de ober bang dat we zonder te betalen de zaak verlaten? Het antwoord komt van een jongedame. “Do you want to see the elephant seals?” Voor ons staat een natuurgids. Elke klant in het restaurant mag gratis mee naar het strand, waar de zeeolifanten liggen. En wel nú.

We rekenen af en gaan op een holletje mee. Buiten schijnt de zon fel en waait het flink. Door een duinachtige gebied naderen we het strand. Daar liggen ze: de tientonners. Vanaf een veilige 100 meter afstand houden we stil. De kudde zeeolifanten ligt voor pampus, half op het zand, half in de branding. De lobbesen blazen en snurken dat het een aard heeft.

“Zie je die grote?”, vraagt de gids. “Dat is de leider, een echte macho. Hij heeft alle vrouwtjes om zich verzameld. Als hij ze allemaal bevrucht heeft, zit zijn werk er op. Maar er liggen kapers op de kust. Jonge zeeolifanten loeren op een kans op seks met een vrouwtje.”

Door mijn kijker zie ik een van de nozems de vrouwtjes naderen. Een reactie van de mastodont kan niet uitblijven. Log richt hij zich op, gooit zijn hele gewicht in de schaal en brult. Mister macho heeft wel zin in een verzetje gekregen. Liefkozend legt hij een poot over een vrouwenlijf, jonge zeehonden stuiven weg, en wij stappen weer eens op.

Op Península Valdes moet je de natuur niet storen.

Tegen het eind van de dag parkeren we onze huurauto bij de Hosteria. We gaan nog een keer naar de baai van Puerto Piramides, lopen door de hoofdstraat en daar zien we hem toch nog in volle omvang, bungelend aan touwen op de veranda van het lokale natuur educatiecentrum: het skelet van een zuidkaper.

 

 

Op de kaart

Grotere kaart weergeven
Praktisch

Goedkoopste vliegoptie: een retourticket bij Iberia Amsterdam - Madrid -  Buenos Aires. Er zijn dagelijks binnenlandse vluchten (Aerolinas Argentinas) naar Trelew (vlakbij het Península). Goedkoper zijn langeafstandsbussen, die zijn redelijk comfortabel. Je kunt erin slapen en je krijgt koffie en soms een maaltijd. Check de sites van www.andesmar.com en www.flechabus.com.ar.

Een visum voor Argentinië is voor Nederlanders niet nodig.

Beste reistijd Kerst vieren ze in Argentinië tijdens de zomervakantie. Op Península Valdés zijn de zomers mild (max. 28° C.) en regent het weinig. Wel waait het er vaak en ’s avonds koelt het snel af. Al met al is de Argentijnse lente (sept-nov) de beste reistijd.

Rijden & tanken Je kunt prima autorijden op het schiereiland. Hou er wel rekening mee dat er alleen onverharde wegen zijn. Heb je geen 4WD, hou je dan aan de maximum snelheid van 60 km/u. Tankstations zijn schaars: op het schiereiland vind je er alleen een in Puerto Pirámides.

Geld & prijspeil 1 Argentijnse peso (aangeduid met $)  is circa € 0,18. Overal, zelfs op de meeste afgelegen plekken, vind je geldautomaten. Per opname betaal je € 2,- extra. Argentinië is goedkoop. Een kop koffie heb je al voor € 0,60, Een volledige maaltijd met wijn en koffie toe kost maximaal € 17,-.

Nuttige websites
www.turismo.gov.ar
www.allaboutar.com/ard_peninsulavaldes.htm

 

 

Aanbevelingen
  • Een 1,5 uur durende walvisexcursie vanuit Puerto Pirámides kost ca. 75 peso p.p. Wie niet luncht in restaurant Faro en toch zeeolifanten wil zien, kan vlak voor het toegangshek een weg naar rechts nemen. Vanaf een klif kijk je op een andere kolonie zeeolifanten (neem een verrekijker mee!).
  • Ga zeker ook naar Punta Cantor (55 km ten noorden van Punta Delgada). Behalve een sympathieke cafetaria is er een natuurleerpad langs de kust en je vindt er een kolonie Magelhaenpinguïns.
  • Bij Punta Norta, helemaal op de noordpunt van het schiereiland, maak je kans orka’s te zien. In maart en april werpen orka’s zich met enige regelmaat door de branding in een poging een van de jonge zeeolifanten te grijpen.
Geef uw beoordeling over dit artikel :

Reacties

Reageren?

Beeldmateriaal