Driedelig pak

Arita Baaijens is ontdekkingsreiziger, bioloog en auteur. Zij maakte meer dan 25 solo-woestijnreizen per kameel en schreef daarover diverse bekroonde boeken. In januari verschijnt haar boek over de zeven jaar durende reis die zij maakte over het afgelegen Ukok plateau, op de grens van Siberië, Mongolië, China en Kazachstan.

 

Mijn tent staat op de zomerweide van een Chinese nomadenfamilie. De wind voert een doordringende geur van humus en schapenmest aan van de zwarte cirkel ondergepoepte aarde waarop de schaapskudde slaapt. Rondom zijn vier lange palen in de grond gespietst, bovenin bungelen schapenvellen. “Berenverschrikkers”, zegt de gastheer met een bezorgde blik op de omringende bergen. Dit is de Altai, een hooggebergte in het uiterste noordwesten van China, op het vierlandenpunt met Kazachstan, Rusland en Mongolië. Het stikt er van de beren, maar militairen verbieden de jacht. “Wilde dieren hebben vrij spel”, moppert de herder.

Gisteravond arriveerden mijn expeditiepartner en ik te paard bij deze yurt. We kwamen uit Kazachstan gereden, een olierijk land waar de nomaden-cultuur compleet op zijn gat ligt. Tot mijn grote verbazing was de situatie net over de grens met China totaal anders. In de heuvels en bergen staan tot ver boven de boomgrens witte dophoedjes van vilt en canvas; de yurten zijn eigendom van Kazakfamilies die al generaties lang in China wonen en elk voorjaar hun huisraad en proviand op reusachtige kamelen laden. De herders drijven schapen, geiten en soms ook koeien over steile berg-
passen naar de alpenweide en verblijven daar tot sneeuw en hagel het vee in september weer de berg afjaagt.

Deze familie hoedt ruim honderd schapen en een paar koeien. Eergisteren viel een berin met pups op klaarlichte dag koeien aan die langs de rivieroever graasden. Twee kalfjes zijn opgepeuzeld en twee vaarzen liepen verwondingen op. Ongelooflijke mazzel dat juist nu de veearts langskomt op zijn jaarlijkse ronde door de bergen.

Mazzel dat juist nu de veearts langskomt op zijn jaarlijkse ronde

De man, ik schat hem begin vijftig, gaat voortvarend te werk in zijn driedelige pak, gebreid mondkapje en latex handschoenen. De gewonde koe ligt met de poten vastgebonden op de zijde. De ogen van het dier puilen uit van angst, verdoven is er niet bij. “Scalpel.” Iemand overhandigt een ontsmet snijmes. In een niervormig schaaltje deint blauwpaarse ontsmettingsvloeistof, daarin een tang, schaar en lange paardenharen. Onze twee paardenjongens staan er bovenop, zo’n ingreep hebben ze nog nooit van dichtbij gezien. De arts maakt een snede in de ontsmette huid, draait van het ontsmette paardenhaar een lange streng en schuift het met de afgeplatte schaar door het versgeknipte gat. Tien centimeter verderop komt de streng uit de wond tevoorschijn. Een knoop in beide uiteinden, een paar antibiotica-injecties en als laatste krijgt de koe een aanmoedigende schop onder de kont. Volgende!

Als laatste onderzoekt de arts mijn rijpaard dat sinds gisteren mank loopt. “Te smal hoefijzer”, luidt de diagnose. Een hoefnagel drong door in levend weefsel, bewijzen bloed en pus als het hoefijzer met een tang is verwijderd. We moeten het paard een half uur in de ijskoude rivier laten staan. “Wond lekker doorspoelen en straks vullen met dennenhars”, zegt de dierenarts met een knik naar het bos. Een laatste groet en daar gaat onze weldoener, te paard en in driedelig pak de horizon tegemoet.

Op deze plek verhalen schrijvers, journalisten en publicisten over een persoonlijke ervaring met de gezondheidszorg en houden ze (para)medici een spiegel voor.

Delen