De vijand
Bekeken 764
Reacties 0
Beoordeling 
29-05-2010
Er bestaat een opstel uit 1964 van W.F. Hermans, waarin dokters worden beschreven als een archaïsche herenclub, die met magische rituelen (oor aan de stethoscoop, tik met het hamertje) de patiënten ertoe brengt ze aan te zien voor een soort priesterkaste. De prototypische beroepsgenezer houdt de illusies omtrent zijn helende krachten graag in stand. Hij weet zowat niks, maar sinds het grote publiek zijn verering voor het hogere heeft overgeplant van de kazuifeldrager in de kerk naar de witte jas in de spreekkamer, voelt hij zich genoodzaakt de schijn op te houden dat hij een wetenschap beheerst.
‘Nimmer gebeurt het dat hij uitroept, jawel, hoogvereerde nabestaande van mijn diepbetreurde patiënt zaliger! Ik heb gefaald! Neem mijn diagnostische auto en rijd hem in de soep. Aanvaard mijn stethoscoop en maak er een gaspitje van. Grijp mijn hamertje en sla het in stukken op mijn hoofd!’
Iets in mijn moeder kon niet geloven
dat artsen ook maar koorddansers zijn
|
Ik moet diep in mijn herinnering graven om er iets te vinden dat overeenstemt met de beschrijvingen van Hermans. Eén ding is waar. Tot pakweg 1970 was de dokter, net als de pastoor, altijd een man. Zijn medicinale oog bespeurde magische verbanden. Als je midden in een plofhete zomer naar zijn spreekuur kwam om antibiotica te halen voor een opkomende blaasontsteking, zei hij met een misprijzende blik op je Mary Quant-outfit, ja, dat komt door de korte rokken die jonge meisjes tegenwoordig dragen.
Gelukkig is met de toetreding van vrouwen tot het artsengilde veel holle gewichtigheid uit het vakgebied verdwenen. Bovendien is de meest riskante taak van de arts, het stellen van de juiste diagnose, intussen goeddeels uitbesteed aan technologieën als microscopisch onderzoek en echografie. De huisarts die verstand heeft van haar beroep zal zich ertoe beperken poortwachter te spelen voor het medisch laboratorium. Dat wil zeggen, totdat zo iemand als mijn moeder zich op haar spreekuur meldt, of dat hoop je dan maar.
Mijn moeder behoorde tot de generatie die door alle veranderingen van de laatste veertig jaar een beetje tussen de wal van de paternalistische dokter en het schip van de moderne gezondheidszorg viel. Iets in haar kon niet geloven dat dokters ook alleen maar koorddansers zijn boven de afgrond van de dood. Als ze het al wist, zou ze nog hebben gedacht dat die dokters beter koorddansten dan zij. Ik weet niet meer precies welke leeftijd ze had bereikt toen het mij begon op te vallen dat ze wekelijks iets aan zichzelf ontdekte waarover ze de huisarts om een opinie ging vragen.
Haar hartslag, haar bloeddruk, haar cholesterolgehalte, de artritis in haar polsen waar ze last van had bij het pianospelen, een schele hoofdpijn – ze vertrouwde het allemaal voor geen cent. Langzaam maar zeker was haar lichaam haar vijandig geworden, een aansluipende verrader was ze erin gaan vermoeden, die ze met toenemende argwaan gadesloeg. Elk seintje dat die verrader waagde te geven, kreeg haar onmiddellijke aandacht. Aan de telefoon zei ze: “Als ik opsta uit mijn stoel, voel ik mijn rechterknie.”
“Hopelijk voelt u uw linkerknie ook, mam.”
“Enfin, ik ga morgen sowieso even naar de dokter, want ik wil weten wat ze ervan vindt dat ik met Joost naar Egypte ga.”
Op de laatste foto waarop ze nog is zoals ze was, staat ze op de trappen van een piramide. Anderhalve maand na haar vierentachtigste verjaardag reisde ze met mijn broer en zijn vrouw twee weken door Egypte. Ze kwam terug in de blakende gezondheid, die door haar huisarts nog nooit was betwijfeld. Tenminste, niet waar zij bij was. Direct ging ze weer naar de huisarts, om zich samen met haar in de goede afloop van de reis te verheugen. Niet lang daarna vonden we haar terug in het academisch ziekenhuis Maastricht.
Daar konden ze niet veel meer voor haar doen. De vijand had toegeslagen. Massief herseninfarct. Mijn moeder had zich niet vergist en de huisarts denkelijk evenmin.
Marja Brouwers (1948) is schrijver en literair criticus. Ze studeerde Engelse taal- en letterkunde en debuteerde in 1984 met Havinck, een roman die in 1987 werd verfilmd. Haar roman De Lichtjager werd genomineerd voor de Europese Literatuurprijs; haar in 2004 verschenen roman Casino werd genomineerd voor diverse prijzen, waaronder de Libris Literatuurprijs. Brouwers schreef verder essays en artikelen over uiteenlopende onderwerpen in o.a. HP/De Tijd en Vrij Nederland.