75 jaar: Arts & Auto in vogelvlucht
Bekeken 878
Reacties 0
Beoordeling 
31-12-2009
Op 5 januari 2010 is het precies 75 jaar geleden dat Arts & Auto voor het eerst verscheen. Werd het ooit opgericht als bindend element binnen de vereniging, waarbij de verkeersveiligheid van de arts hoog in het vaandel stond, inmiddels is Arts & Auto een ijzersterk merk dat ook buiten de directe lezersgroep een begrip is.
Tekst Frank van Kolfschooten
Arts & Auto heeft behalve een historie ook een prehistorie. Die valt samen met de beginjaren van de Onderlinge Verzekering van Artsen-Automobilisten (OVAA), in 1924 opgericht uit onvrede over de 25 procent hogere premies die de verenigde autoverzekeraars aan zakelijke automobilisten in rekening wilden brengen. Deze categorie zou volgens de verzekeraars meer brokken maken, omdat ze meer kilometers maakte.
Omdat artsen de eerste beroepsgroep waren die op grote schaal auto’s gebruikte, waren vooral zij de dupe van deze verhoging. De Amersfoortse arts Gerard Albert Prins (1889-1948) was verontwaardigd, omdat artsen volgens hem juist veiliger verkeersdeelnemers waren en richtte met een paar andere artsen bovengenoemde OVAA op. Twee dissidente verzekeraars, de Nederlandse Lloyd Ongevallen en de Oude Zwolsche, bleken bereid om een collectieve verzekering af te sluiten voor een premie die 25 procent lager lag dan het normale tarief. Dit bleek zo aantrekkelijk, dat de intussen tot Vereeniging voor Verzekering van Artsen-Automobilisten (VvVvAA) omgedoopte vereniging binnen tien jaar bijna 1900 leden telde – naast artsen ook tandartsen en dierenartsen.
Door de snelle groei van de vereniging ontstond er behoefte aan een ledenorgaan. Aanvankelijk, vanaf september 1931, liftte de VvVvAA met een aantal eigen pagina’s mee in het medische tijdschrift Vox Medicorum. Maar op 5 januari 1935 kreeg de nu tot de VVAA (Vereeniging van Artsen-Automobilisten) hernoemde vereniging zijn eigen blad, Arts en Auto, dat voortaan tweewekelijks ging verschijnen. Hoofdredacteur werd de al genoemde dokter Prins, die het blad vulde naast zijn werk als controlerend geneesheer bij de Nederlandse Spoorwegen en de PTT. Uitgever was Firma G.W. den Boer in Middelburg.
Discussie over alcoholgebruik
In het eerste nummer, gedrukt in een oplage van 2200, legde Prins in een redactionele inleiding uit wat de lezer van
Arts en Auto kon gaan verwachten. Dit eerste nummer, van zestien pagina’s, bevatte verder artikelen over verkeerswegen, over wintersport, over medische aspecten van het chaufferen en over een ‘traumatische neurose’ ten gevolge van een verkeersongeval. Er waren advertenties van Olie- en Vet-Industrie André S. van Daelen, van het Victoria Hotel in Amsterdam, van de 1ste Rotterdamsche Ongevallen- & Automobielverzekering, van Buytendijk zieken-auto’s, en van Assurantie-Kantoor C. Eggink.
De redactie vroeg de leden om het blad ook in de wachtkamer te leggen, om het grote publiek te bereiken met ideeën over verkeersveiligheid en voorzichtig autorijden. ‘Ongetwijfeld zal dit sierlijke tijdschrift zeker de aandacht trekken en het vervelende wachten op even nuttige als aangename wijze doen bekorten.’ Later volgde het advies om het blad toch maar uit de wachtkamer weg te halen, vanwege de overwegend medische inhoud van veel artikelen.
De diversiteit aan onderwerpen en rubrieken groeide in die beginjaren gestaag. Ook kwam er een advertentierubriek met landhuizen ‘van en uitsluitend voor onze leden’, die konden worden gehuurd in binnen- en buitenland. In 1936 verscheen er een speciaal voor artsenvrouwen bestemd ‘dameshoekje’.
Verkeersveiligheid van de arts bleef een belangrijk thema, getuige ook de nieuwjaarsboodschap van 1937. ‘Zo spreken wij opnieuw de hartgrondige wens uit, dat geen onzer dit jaar een auto-ongeval moge overkomen’, schreef Prins, die de VVAA vergeleek met een ‘groot gezin’. Datzelfde jaar bevatte Arts en Auto (het &-teken in de titel kwam er pas in 1988) een discussie tussen twee artsen over de vraag of zelfs matig alcoholgebruik onacceptabel was voor de automobilist.
Omstreden excursies
Een aantal keer per jaar organiseerde de VVAA drukbezochte excursies voor de leden in binnen- en buitenland, vaak met een medisch getint onderdeel, bijvoorbeeld aan de fabriek van Brocades Stheeman. Duitsland was een geliefde bestemming, ook nadat daar in 1933 de nazi’s aan de macht waren gekomen.
In het voorjaar van 1937 stond een excursie op stapel naar een wattenfabriek in het Duitse Emst, die voor de gelegenheid speciaal op zondag open zou zijn. Een gelovige arts uit Amsterdam maakte hier per ingezonden brief bezwaar tegen in verband met de zondagsrust. Hij zei niet langer lid te kunnen blijven als dit tochtje doorging. Hoofdredacteur Prins liet in een naschrift weten dit maar een overdreven reactie te vinden, en zette de arts in de hoek met een citaat van Boeddha.
Een maand later was er opnieuw opschudding over berichtgeving in Arts en Auto, voorafgaand aan een bijna meteen volgeboekte excursie voor driehonderd leden naar IG Farben in Leverkusen bij Keulen, in combinatie met een bezoek aan Duitse collega-medici. In de aankondiging stond dat ‘ein wahres Verbrüderungsfest zal plaatsvinden’. Een joods lid maakte in een ingezonden brief verontwaardigd bezwaar tegen ‘de euvele moed’ om naar Duitsland te gaan, ‘het land der jodenvervolgingen’.
Prins erkende dat het overnemen van de term wahres Verbrüderungsfest uit een brief van de Duitse collegae onjuist was geweest, maar bleef het bezoek aan Duitsland verdedigen. ‘Wij zijn en blijven van opinie, dat er al haat en nijd genoeg is in de wereld, dan dat dit van medische zijde nog moet worden aangedikt. Juist zullen dergelijke bezoeken ertoe kunnen bijdragen (nogmaals zonder dat wij akkoord gaan met alles wat in Duitsland geschiedt of is geschied) om de verstandhouding tussen de volkeren te verbeteren. En als de medici het niet meer met elkaar eens kunnen worden in de verschillende landen, wat mag men dan nog van de vredesgedachte verwachten? (...) Vanzelfsprekend blijven alle Nationale oder Politische Fragen uitgesloten in de omgang met buitenlandse collegae. (...) After all is verdraagzaamheid nog altijd een essentieel bestanddeel van de humaniteit – die wel meer in het gedrang schijnt te komen, niet alleen bij onze naburen’, schreef Prins met een sneer naar zijn critici.
Eerdergenoemde gelovige arts liet met elf geestverwanten een buitengewone ledenvergadering uitschrijven naar aanleiding van de excursies naar Emst en Leverkusen, die tot hun ergernis werd geagendeerd onder kerktijd. Prins kreeg daar forse kritiek over de toon van zijn naschriften, maar het VVAA bestuur en de redactie van Arts en Auto kregen uiteindelijk de volle steun van de leden – ook van de joodse VVAA bestuurder Kamerling, die wel afzag van deelname aan de reis naar IG Farben. Hij beklemtoonde net als diverse andere sprekers dat politiek en religie buiten de vereniging behoorden te blijven.
Verschijningsverbod
Arts en Auto ging medio 1937 ondanks de aanhoudende groei van de VVAA (nu 2500 leden) om de vier (in plaats van twee) weken verschijnen, vanwege het tegenvallende aantal advertenties. Er verschenen steeds meer artikelen in het blad die te maken hadden met de oorlogsdreiging in Europa, zeker na de mobilisatie van het Nederlandse leger in 1939, toen auto’s van medici gevorderd dreigden te worden en benzine en olie op de bon gingen.
Begin 1940 waren de advertentie-inkomsten voldoende aangetrokken om weer elke veertien dagen te gaan verschijnen. Steeds meer leden boden hun huizen te huur aan via Arts en Auto, er was al een aanbod van 59 huizen. Maar onbekommerd vakantie vieren was er niet bij die zomer, door de Duitse inval op 10 mei 1940. Arts en Auto van 18 mei 1940 verscheen niet. Toch was er op 31 mei 1940 alweer een nieuw nummer.
Nederland gaf op grote schaal gehoor aan de oproep van de regering in ballingschap om loyaal mee te werken met de bezetter. In Arts en Auto kwam dit tot uitdrukking in een redactioneel commentaar van Prins onder de kop ‘De handen aan den ploeg!’. Hij schreef: ‘Nu sinds het verschijnen van het vorige nummer ons land van een onafhankelijke en vredelievende natie tot bezet gebied is geworden na een even dappere als wanhopige strijd van onze moedige soldaten tegen een overmachtige en technisch volmaakt uitgeruste tegenstander, die, laten wij het eerlijk bekennen, even dapper was in het gevecht als correct na de wapenstilstand, is het taak, en ons aller plicht, schouder aan schouder te staan bij de opbouw van ons land. Dat hierbij vooral op medici en speciaal op de artsen-automobilisten gerekend moet worden, spreekt vanzelf.’
In latere nummers verschenen meer bijdragen van Prins waarin hij wees op de noodzaak om in een bezet land de eenheid te bewaren onder medici (en onder de hele bevolking). Benzineschaarste bleef een terugkerend thema in de eerste oorlogsjaren.
In oktober 1941 dreigde voor Arts en Auto het doek te vallen vanwege een verschijningsverbod voor verenigingsbladen (officieel wegens papierschaarste, maar ook vanwege censuur), maar dat wist de redactie te voorkomen via contacten in Den Haag. In juli 1942 volgde alsnog een verschijningsverbod, en daarna verschenen alleen nog incidenteel mededelingen op slecht papier van klein formaat. Pas na de bevrijding in mei 1945 kregen de VVAA leden Arts en Auto weer in de bus. (De in dat jaar verschenen nummers ontbreken helaas in het redactiearchief en in bibliotheken.)
Bijdragen van vooraanstaande Nederlanders
De jaren 1935 - 1948 vormen zonder twijfel de meest bewogen periode uit de geschiedenis van Arts en Auto (zie ook het kader over de controverses rond Prins’ houding tijdens de bezetting). Na Prins’ overlijden in 1948 kwam er een driekoppige redactie onder leiding van de arts H.A.V. Giesberger, gesteund door een aantal vaste medewerkers uit eigen kring. Van een professionele redactie was nog geen sprake, iedereen deed dit naast het eigen werk.
In 1950 ging Arts en Auto op groter formaat verschijnen. De oplage hield in de loop van de jaren vijftig gelijke tred met de groei van het aantal leden van de VVAA. Het blad kon ook steeds dikker worden door de groei van het aantal advertenties.
Arts en Auto besteedde steeds meer aandacht aan reizen. Er kwam een rubriek ‘Wenken en adviezen voor automobilisten in binnen- en buitenland’, en er verschenen veel artikelen over verre buitenlandse vakantiebestemmingen, bijvoorbeeld over een autotocht van Algiers naar Kaapstad of een vervolgverhaal over Corsica. En de VVAA organiseerde individuele reizen in samenwerking met de Nederlandsche Reisvereniging, waarover vervolgens in enthousiaste reisverslagen verschenen.
Arts en Auto bleef de technische ontwikkelingen in de auto-industrie op de voet volgen, en had ook oog voor andere gemotoriseerde voertuigen, zoals de scooter en de scootmobiel, die in allerlei varianten op de markt kwamen.
Terugkerend hoogtepunt was in de jaren vijftig en zestig het jaarlijkse kerstnummer, waarin veel pagina’s waren gewijd aan cultuur. Er stond bijvoorbeeld altijd een overzicht in van de toneelstukken die te zien waren geweest, en er werd vooruitgekeken naar het komende jaar.
De redactie wist ook bijdragen van vooraanstaande Nederlanders binnen te halen. Zo werd het voorwoord van het kerstnummer van 1955 (oplage 10.500) geschreven door minister Cals van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en stond er naast een radiohoorspeltekst van Annie M.G. Schmidts Familie Doorsnee een ‘geestige publicatie’ van Godfried Bomans in. Het nummer bevatte verder artikelen over schilderkunst en Nederlandse kerstvoorstellingen in de vijftiende eeuw, maar ook ‘gedachten bij een tekening van Anton Pieck’, en er was een reisverhaal over het Zwitserse Lötschental. De kruiswoordpuzzel van het Rode Kruis was traditie, en zelfs in het kerstnummer ontbrak de vaste belastingrubriek niet.
In de jaren zestig volgde verdere groei van de VVAA tot een club van ruim 10.000 leden, die naast schade-, ook een ziekenhuis- en sanatoriumverzekering, een WA-verzekering, een inzittendenverzekering en een waarnemersverzekering was gaan aanbieden. Tweederde van de Nederlandse artsen had nu een verzekering lopen bij de VVAA.
Magazineachtige uitstraling
In 1962 nam hoofdredacteur Giesberger afscheid. De oplage was intussen gestegen tot 13.750 exemplaren, en de redactie meldde trots dat Arts en Auto een vooraanstaande positie onder de autobladen had gekregen.
Arts en Auto was ondanks de gestage advertentiegroei een tijdschrift waarmee geen winst werd gemaakt – wat tot op heden ook zo is gebleven, zoals bijna alle verenigingsbladen. De exploitatiekosten waren midden jaren zestig ruim een ton, wat betekende dat elk lid via de contributie zo’n zeven gulden meebetaalde aan de productie van een jaargang. Een klein bedrag voor een blad dat men graag in de bus kreeg, zo bleek uit de regelmatig gehouden enquêtes. Dit enthousiasme van de lezers stimuleerde de redactie tot uiterlijke vernieuwingen. In 1966 verscheen het blad voor het eerst met diverse voorplaten in vierkleurendruk.
Vanwege de groeiende belangstelling voor individuele en ook groepsreizen startte de VVAA in 1965 een eigen Reis- en Passagebureau. Reisreportages kregen hierna een nog grotere plaats in Arts en Auto. Steeds meer artikelen waren bestemd voor artsenvrouwen, in 1967 bijvoorbeeld in de vorm van een speciale bijlage met artikelen over mode, fijne keuken, tafelschikking, binnenhuisarchitectuur en bloemschikken.
In 1968 werd het blad voor het eerst op een offsetpers gedrukt, waardoor de fotografie nog beter tot zijn recht kwam. Er kwam ook een nieuwe vormgeving met een meer magazineachtige uitstraling. Dit leidde tot hogere drukkosten, maar de VVAA bleef het er graag voor overhebben.
Vanaf 1973 werden de productie en advertentie-exploitatie uitbesteed aan drukkerij Tijl in Zwolle. De VVAA bleef wel de inhoud bepalen. Kritiek kwam er alleen op het versturen in krimpfolie in deze tijd van stijgend milieubewustzijn. Het bewerkelijke kerstnummer werd in deze periode afgeschaft. Datzelfde jaar 1973 werd er vanwege de oliecrisis voor het eerst in 26 jaar ook geen artsen-autorally gereden, een onderwerp dat elk jaar weer breed werd uitgemeten. Na de dertigste rally kwam er in 1979 uiteindelijk een einde aan dit jaarlijkse hoogtepunt in het verenigingsleven van de VVAA.
De auto zelf bleef intussen prominent aanwezig. In 1975 kwam er een speciaal nummer naar aanleiding van de Auto RAI, met een beschrijving van de meest gangbare auto’s.
Vinologische scholing
In 1976 werden de voorwaarden voor een lidmaatschap verruimd, waardoor steeds meer hoger opgeleide beroepsgroepen uit de gezondheidszorg bij de VVAA terecht konden. Dat leidde tot nieuwe toestroom van leden, die tot op heden (met sinds kort het 100.000-ste lid) voortduurt.
Arts en Auto werd het ideale doorbladerblad voor de wachtkamer, de plek waarlangs ook de niet-arts het tijdschrift leerde kennen, met artikelen met veel beeld over niet al te urgente onderwerpen, zoals ‘drieëneenhalve eeuw barometers in Europa’. Op de cover veel natuurfoto’s en mooie stekjes.
Vanaf eind jaren zestig kwamen er steeds meer drankadvertenties, vooral voor wijn en allerlei attributen zoals wijnrekken van Tomado. In de redactionele kolommen werden de advertenties begeleid door schema’s van goede en minder goede jaren van bijvoorbeeld Bordeauxwijnen. De arts leerde ook uit welk glaswerk wijn gedronken diende te worden, en deze vinologische scholing werd verder uitgebreid door ook wijnreizen te gaan aanbieden.
Arts en Auto had in deze periode geen rubriek over trendy onderwerpen zoals huisinterieur en kleding, maar het soort advertenties in het blad gaf daar een goede indruk van. Parketvloeren met vierkant blokmotief, droomkeukens op maat, een sauna voor in de achtertuin, kunststof tuinmeubilair – het kwam allemaal voorbij in die jaren. De vaste adverteerders Pelger (kleding), Carl Denig (sportieve kleding), Zwartjes (schoenen) en Zumpolle (lederwaren) brachten in beeld hoe de arts van die dagen modieus gekleed moest gaan.
Tot eind jaren zeventig was er een redactieteam zonder op de voorgrond tredende hoofdredacteur, maar vanaf oktober 1978 ging Guus de Jonge, die al enkele jaren in de redactie zat, die functie bekleden. Hij was de eerste hoofdredacteur zonder medische achtergrond (net als al zijn opvolgers). Onder de bezielende leiding van artdirector Dirk van Eijk ging het blad er bovendien steeds moderner uitzien.
In 1982 ontstond opnieuw discussie of het steeds dikkere blad, dat nu al een oplage had van 32.500 exemplaren, niet versoberd moest worden, met het oog op de toenmalige economische crisis. Maar uit een enquête onder de lezers bleek dat driekwart van hen het blad als goed tot zeer goed beoordeelde. De VVAA concludeerde daaruit dat een ingrijpende koerswijziging niet goed zou vallen bij het merendeel van de leden. Versobering zou bovendien leiden tot minder advertentie-inkomsten, wat weer verstrekkende gevolgen zou hebben voor omvang en inhoud van het blad.
Kortom, Arts en Auto moest blijven wat het al bijna vijftig jaar was: een bindend element binnen de VVAA en een visitekaartje naar buiten.
Anderhalf keer zo dik
De Jonge, die in 1988 de naam veranderde in Arts & Auto (dus met &), bleef zestien jaar hoofdredacteur, totdat begin 1995 Caroline Linssen hem opvolgde. Na haar vertrek kwam de redactionele leiding in 2000 in handen van Makiri Mual-Meijer, die in 2003 plaatsmaakte voor de huidige hoofdredacteur Flip Vuijsje.
Onder de laatste generatie hoofdredacteuren werd de aanpak geleidelijk aan steeds journalistieker en verdwenen de artikelen over weinig ‘urgente’ onderwerpen. Afgelopen april werd de verschijningsfrequentie van twintig keer per jaar omgezet naar een maandfrequentie. Het blad is sindsdien anderhalf keer zo dik, en gaat vier keer per jaar vergezeld van de nieuwe themabijlage Extra. De huidige uitgeefpartner, die ook de advertentiewerving verzorgt, is Springer Uitgeverij in Houten.
Anno 2010 is Arts & Auto sterker gericht op de actualiteit, en bericht meer dan vroeger over zaken die specifiek interessant zijn voor zorgprofessionals, zowel zakelijk als financieel, dit mede afgestemd op de dienstverlening door VvAA aan leden/klanten. Daarnaast is ruime aandacht voor het leven ‘buiten werktijd’ een constante gebleven, met veel aandacht voor onderwerpen als auto’s, reizen, eten en drinken, en andere goede kanten van het leven.
Arts & Auto volgt de brede interesses van de leden nog altijd op de voet. Omdat die groep intussen zo gevarieerd is geworden, is ook de inhoud rijker dan ooit. Het blad is in 75 jaar tijd in Nederland een begrip geworden, ook buiten de directe lezersgroep. En vormt een ijzersterk merk waar menig bladenmaker jaloers op is. De incidentele roep om een meer eigentijdse naam, zoals ‘VvAA magazine’, is daarom tot nu toe genegeerd. Arts & Auto gaat ook de honderd jaar wel halen.