Lobbyen in de zorg
Bekeken 1972
Reacties 2
Beoordeling 
30-04-2011
In de gezondheidszorg wordt heel wat afgelobbyd. Niet verwonderlijk, de begroting van het ministerie van VWS is koploper op het gebied van de staatsuitgaven. En gezondheid is voor heel veel mensen het grootste goed. Dat er dus allerlei organisaties zijn die de besluitvorming trachten te beïnvloeden is niet meer dan logisch, concludeert redacteur gezondheidszorg van NOS Nieuws, Rinke van den Brink.
Tekst rinke van den brink | illustratie leon mussche
In de zomer van 2009 werd ik gebeld door de voorlichter van een universiteit. Trots meldde ze me dat onderzoekers van die universiteit met een baanbrekende publicatie kwamen in het New England Journal of Medicine (NEJM). Tezelfdertijd presenteerden ze hun onderzoeksresultaten op een groot Europees congres van hun wetenschappelijke vereniging. Ze toonden in hun studie aan dat een al bestaand geneesmiddel ook werkzaam is bij een grote patiëntengroep met een heel andere indicatie dan waarvoor dat middel is toegelaten.
In zo’n geval spreek ik niet alleen met de betrokken onderzoekers, maar zoek ik ook specialisten die niet bij de studie betrokken zijn. Zo ook in dit geval. Ten minste een van de twee vooraanstaande specialisten die ik raadpleegde en die mij adviseerde een onderwerp te maken over onderzoek in het NEJM, bleek naderhand banden te hebben met de producent van het geneesmiddel.
Intussen is het betrokken geneesmiddel nog steeds niet toegelaten voor die nieuwe indicatie. En is er het nodige onderzoek gepubliceerd over minder prettige kanten van het middel. Maar de lobby om een onderwerp over het middel in het NOS Journaal te krijgen had toen al gewerkt. Het is zomaar een voorbeeld van lobbyactiviteiten waarmee je als journalist te maken krijgt.
Effectief
In de aanloop naar Prinsjesdag herhaalt zich ieder jaar hetzelfde ritueel. Belangenorganisaties op elk denkbaar gebied zetten zich schrap om regeringsplannen tegen te houden die op hun deelgebied verslechteringen opleveren. De beste manier daarvoor is te proberen te bewerkstelligen dat dergelijke plannen de definitieve begrotingsstukken niet halen. Als dat niet lukt, is het zaak zo veel mogelijk aandacht te krijgen voor de praktische gevolgen op individueel niveau van allerlei maatregelen.
Zo laat de Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad (CG Raad) het Nibud jaarlijks voor zijn achterban doorrekenen wat de inkomensgevolgen van die maatregelen zijn. Het Nibud maakt koopkrachtplaatjes voor allerlei categorieën: van alleenstaande AOW’ers met een klein pensioentje tot jonggehandicapten met een Wajong-uitkering. En daarbij komt nogal eens een inkomenseffect tevoorschijn dat door de plannenmakers op de ministeries over het hoofd was gezien (of waarvan ze hoopten dat het over het hoofd gezien zou worden). De CG Raad is wat je noemt een effectieve lobbyorganisatie.
Of neem de NVZ vereniging van ziekenhuizen. Die heeft het afgelopen jaar heel wat moeite gedaan om de minister van VWS ervan te overtuigen dat de voorgenomen korting op het ziekenhuisbudget onrechtmatig was. De lobby van de ziekenhuizen – die uiteindelijk uitvloeide in een rechtsgang in verschillende instanties – leverde vooralsnog niet meer op dan een flink lagere korting op het ziekenhuisbudget.
Ook de Orde van Medisch Specialisten zocht haar toevlucht bij de rechter na het stranden van een krachtige inhoudelijke lobby gericht op de Haagse besluitvormers – en parallel daaraan acties in de ziekenhuizen.
Overtuigingsarbeid
De zorgverzekeraars, zowel de individuele bedrijven als hun koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland (ZN), zijn een ander voorbeeld. Beide voeren bijvoorbeeld al enkele jaren een lobby om de financiering van de langdurige zorg heel anders te organiseren. ZN wil dat de zorgverzekeraars voor hun eigen verzekerden de AWBZ gaan uitvoeren. Op de voorlaatste nieuwjaarsborrel van ZN herhaalde ZN-voorzitter Hans Wiegel die wens. De toenmalige staatssecretaris Jet Bussemaker (PvdA) voelde wel voor de ingrijpende reorganisatie van de AWBZ die ZN wilde. De overtuigingsarbeid van de zorgverzekeraars had zijn doel niet gemist. Op de ZN-borrel beloofde ze dat ze een paar maanden later, in april, haar plannen met de AWBZ in een Kamerbrief zou schetsen. Zo ver is het door de val van het kabinet niet gekomen. Maar Bussemakers voornemen om de AWBZ te reorganiseren en goeddeels uit te laten voeren door de zorgverzekeraars is ook beleid van het nieuwe kabinet.
Als over een onderwerp dat de zorgverzekeraars ter harte gaat in de Kamer gesproken wordt, dan ontvangen de leden van de vaste Kamercommissie VWS een fact sheet waarin nog eens onder de aandacht wordt gebracht wat ZN of een individuele zorgverzekeraar van een bepaald onderwerp vindt. Als het om zaken gaat die in de ogen van de verzekeraars heel belangrijk zijn, dan krijgen Kamerleden een telefoontje. En ruim voor onderwerpen op de Kameragenda komen, hebben de zorgverzekeraars alle mogelijke contacten met ambtenaren van VWS, met de bewindspersonen en met Kamerleden en hun medewerkers. En dan zijn er nog de werkbezoeken en de lunchbijeenkomsten die af en toe georganiseerd worden – bijvoorbeeld in de periode rond Prinsjesdag – waar zorgverzekeraars hun eigen ideeën lanceren.
Zoals ZN of de andere hier genoemde organisaties zijn er nog vele. De apothekersorganisatie KNMP, de farmaceutische industrie, de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie NPCF, de Landelijke Huisartsen Vereniging en nog talloze andere, allemaal hebben ze mensen die proberen de politieke besluitvorming in de ene of de andere richting te beïnvloeden. Soms doen ze het zelf, soms huren ze er anderen voor in (zie kader Anne Mulder).
Nevenfuncties
Het inzetten van een eigen lobbyist is maar één manier om te lobbyen. Het aanbieden van nevenfuncties aan politici is een andere. Zo zijn er 23 Kamerleden die tegelijk toezichthouder zijn bij een zorginstelling. Zeven van hen worden betaald, de rest doet de nevenfunctie onbezoldigd. Het gaat om voorzitterschappen en lidmaatschappen van raden van toezicht van zorginstellingen en om minder zware functies in comités van aanbeveling van zorgprojecten.
Van de Kamerleden met een nevenfunctie in de zorg zijn er vijf (PvdA, PVV, CDA, SP, VVD) lid van de vaste Kamercommissie VWS. Twee van hen (PVV, PvdA) worden betaald. Verder zijn vijf van de 23 plaatsvervangend lid van de vaste Kamercommissie voor VWS (D66, PvdA, VVD, twee van het CDA). Twee van hen (D66, CDA) worden betaald voor hun nevenfunctie.
Eind december 2008 heb ik hetzelfde samen met een collega van het magazine Skipr ook al eens uitgezocht. Toen bleken er 26 Kamerleden een of meer van dergelijke functies te hebben. Variërend van een stevig gehonoreerd voorzitterschap van een raad van toezicht van een groot ziekenhuis tot een lidmaatschap van een comité van aanbeveling van een woonproject voor gehandicapten. Zeven van die 26 – drie CDA’ers, twee PvdA’ers, een SP’er en een Kamerlid van de Partij voor de Dieren – waren tegelijk lid van de vaste Kamercommissie voor VWS. Zes anderen waren plaatsvervangend lid van die commissie. Vijf leden en vier plaatsvervangende leden van de commissie hadden een betaalde nevenfunctie in de zorg. Zo was CDA-Kamerlid Margreeth Smilde destijds zowel lid van de vaste Kamercommissie als bezoldigd lid van de raad van toezicht van de Saxenburgh Groep, eigenaar van de ziekenhuizen in Meppel en Hardenberg en enkele zorgcentra. Op werkbezoek in het ziekenhuis in Winschoten sprong ze in de bres voor de kleine ziekenhuizen waarover minister Klink toen net gezegd had dat er wel een paar van konden verdwijnen.
Politieke zwaargewichten
Ook oud-politici zijn zeer in trek bij belangenorganisaties in de zorg. Oud-vicepremier Hans Wiegel (VVD) is al sinds de oprichting van Zorgverzekeraars Nederland de voorzitter. Oud-minister van Verkeer en Waterstaat en kortstondig vicepremier Roelf de Boer (LPF, tegenwoordig VVD) is sinds de zomer van 2008 voorzitter van de NVZ vereniging van ziekenhuizen. Oud-staatssecretaris van Financiën Steven van Eijck (LPF) is in augustus 2006 voorzitter geworden van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV).
De Orde van Medisch Specialisten heeft sinds vorig najaar VVD-coryfee en oud-minister van Defensie Frank de Grave als voorzitter. De Grave was in het verleden wethouder in Amsterdam, staatssecretaris van Sociale Zaken, minister van Defensie, en voorzitter van de Nederlandse Zorgautoriteit. Vanaf eind mei zetelt De Grave in de Senaat.
GGZ-Nederland, de brancheorganisatie in de geestelijke gezondheidszorg en de verslavingszorg, wordt sinds drie jaar geleid door oud-Kamerlid voor de PvdA Marleen Barth. Barth, eerder ook parlementair journalist, is vanaf eind mei fractievoorzitter van de PvdA in de Eerste Kamer.
Wiegel, De Boer, Van Eijk, De Grave en Barth hebben allemaal één ding gemeen: ze weten de weg in Den Haag en beschikken over uitgebreide netwerken.
Zuid-Frankrijk
Het lobbywerk in Den Haag is onmiskenbaar van groot belang voor allerlei partijen in de zorg. Het lijkt een efficiënte manier om meningsvorming en besluitvorming te beïnvloeden, maar er zijn meer manieren om dat te doen.
Er bestaat een circuit waarbinnen iedereen die ertoe doet in de gezondheidszorg elkaar met grote regelmaat ontmoet. Deels zichtbaar – op symposia, congressen en conferenties die het hele jaar door plaatsvinden – maar voor een deel onttrekken die ontmoetingen zich volledig aan het zicht. Het farmaceutische bedrijf Pfizer organiseert elk jaar twee grote congressen: een op Terschelling, dat zich richt op de relatie tussen de eerste en de tweede lijn; en een in het Zuid-Franse Eze waar de grote lijnen van de gezondheidszorg aan de orde komen.
Ook de zorgverzekeraars organiseren jaarlijks een grote zorgbijeenkomst in Zuid-Frankrijk. Zowel de bijeenkomst van Pfizer als van de verzekeraars is op uitnodiging. Beleidsmakers, ambtenaren, politici, patiëntenorganisaties en bestuurders van zorgverzekeraars en grote zorginstellingen horen tot de vaste gasten.
Hugo Keuzenkamp, bestuurder van het Westfriesgasthuis in Hoorn en voormalig directeur van Delta Lloyd Zorgverzekeringen is er twee jaar geleden een keer bij geweest. “Het is een leuke manier om elkaar ontspannen te treffen en met elkaar te spreken. In zo’n setting ontstijg je wat gemakkelijker de waan van de dag. Als je daar met elkaar in zo’n mooie omgeving bent, ontstaat gemakkelijk een voedingsbodem waar je later wat aan hebt. Maar om nou te zeggen dat daar de besluiten worden genomen, nee. Er wordt maar in beperkte mate zaken gedaan, denk ik. Het is wel heel nuttig om je netwerk te onderhouden en daar kun je natuurlijk later weer van profiteren.”
Keuzenkamp ziet geen probleem in dit soort bijeenkomsten, net zo min als in buitenlandse reizen van ambtenaren met zorgverzekeraars en zorginstellingen om eens over de grens te kijken. “Laatst was er het nodige te doen over een reis naar Zwitserland om de langdurige zorg daar te bekijken (zie kader Renske Leijten). Dat kost geld, maar om nu meteen te zeggen dat het schandelijk is dat daar zorggeld aan wordt besteed, dat vind ik onzin. Het is goed om wat tijd te nemen voor reflectie en eens met elkaar te kijken of het ook anders kan. En het zou best kunnen dat je na zo’n reis mensen allemaal een bepaald verhaal hoort vertellen dat past bij een beleidswijziging, je gaat daar niet voor niets kijken natuurlijk.”
Geen journalisten
Voorzitter Rien Meijerink van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) is de afgelopen tien jaar een regelmatige gast geweest in Zuid-Frankrijk. “Ik kom net terug uit Eze. Het is absoluut zo dat die bijeenkomsten invloed hebben op het beleid. Dat is zeker niet te veel eer voor die conferenties. Het biedt de gelegenheid om met alle belangrijke partijen in de zorg eens door te praten. Het is op kosten van de belastingbetaler en de premiebetaler, maar er gebeurt daar echt wat. Het wordt een beetje ver weg georganiseerd om voor een rustige omgeving te zorgen. De discipline en de sociale controle is groot. Je bent drie dagen bezig van half negen ’s morgens tot het diner ’s avonds. Dan is er wat tijd voor ontspanning. Maar je moet echt niet denken dat je daar een dag vakantie kunt vieren. Verder zijn er geen journalisten bij. Je kunt dus volstrekt vrijuit praten en ook eens een ideetje lanceren om te zien hoe het valt zonder dat het meteen in de krant staat.”
Meijerink weet zeker dat de conferenties in Zuid-Frankrijk effect hebben. “Ik merk dat wat daar gebeurt, gebruikt wordt in de beleidsvoorbereiding. Door iedereen. Politici gebruiken wat ze daar horen, maar bijvoorbeeld ook de zorgverzekeraars laten zich leiden door de discussies daar.” Er worden geen rechtstreekse deals gesloten. “De minister heeft een afspraak gemaakt met de Orde om de groei van hun omzet te beperken tot 2,5 procent. De specialisten willen dat de zorgverzekeraars daarbij hun verantwoordelijkheid nemen om overproductie te voorkomen. Zoiets wordt niet in Zuid-Frankrijk geregeld. Het gaat daar om vergezichten. Om zaken dus die nog volop in beweging zijn. Maar invloedrijk is het zeker.”
[Rinke van den Brink is sinds 2005 redacteur gezondheidszorg van NOS Nieuws.]
Een miljard euro per jaar?
Op 20 oktober 2010 kwam de Volkskrant met een spectaculaire opening: ‘Lobbyen in de zorg kost een miljard’, kopte de krant. Het artikel ging over een onderzoek van Tony Lamping, de directeur zorginkoop van Zorgverzekeraars Nederland. Hij heeft een inventarisatie gemaakt van het aantal belangenorganisaties in de zorg. Volgens de Volkskrant is Lamping met inventariseren gestopt toen hij driehonderd organisaties geturfd had. Samen hebben die ruim zesduizend mensen in dienst en die zouden een miljard euro publiek geld uitgeven aan hun lobbywerk in Den Haag. Het artikel deed veel stof opwaaien. Minister Schippers moest schriftelijke vragen beantwoorden en werd voor een spoeddebat naar de Kamer gehaald.
Dat is er niet gekomen. De Orde en de Landelijke Huisartsen Vereniging wezen op onjuistheden in het Volkskrant-artikel. Zij krijgen geen subsidies van het ministerie van VWS, hooguit incidenteel voor bepaalde welomschreven projecten. Andere activiteiten betalen ze uit contributie-inkomsten.
Tony Lamping distantieerde zich van de conclusies die de Volkskrant trok en deed er het zwijgen toe. Het spoeddebat met Schippers is uitgesteld tot na de publicatie van Lampings onderzoek. Intussen stuurde minister Schippers de Kamer op 19 januari van dit jaar wel een concept van Lampings onderzoek Patients in the lead, the public in need. An evaluative study of the system of intermediate organisations in Dutch health care.
Schippers beantwoordde ook Kamervragen waarin ze uitlegde dat van het door Lamping becijferde bedrag van 1 miljard ongeveer 600 miljoen euro uit overheidsmiddelen komt. Maar dat geld gaat niet naar Haagse lobbyactiviteiten. Daar worden overheidsinstellingen als de RVZ, de NMA, de NZa, de Inspectie, ZonMW en nog vele andere van betaald. Verder gaat er ongeveer 42 miljoen aan subsidies naar patiënten- en cliëntenorganisaties.
Afgaand op het concept van Lampings onderzoek, is de financiële kant van het verhaal niet zo heel interessant. Lamping constateert dat de belangen van de gebruikers van gezondheidszorg goed behartigd worden, maar hij signaleert ook enkele problemen. Het systeem van de paar honderd belangenbehartigers kent een paradox: aan de ene kant zorgt het ervoor dat een groot aantal belanghebbenden kan deelnemen aan het beleidsvormende proces, maar tegelijk sluit het anderen er juist van uit. “Daardoor”, schrijft Lamping, “is de vertegenwoordiging van de verschillende belangen niet noodzakelijkerwijs evenwichtig, en dat heeft invloed op het gezondheidszorgbeleid.” Verder concludeert Lamping dat “het algemene publiek geen georganiseerde vertegenwoordiging heeft en dat de institutionele zorgaanbieders domineren ten koste van de vertegenwoordigers van de eerste lijn en de publieke gezondheidszorg.”
Anne Mulder (VVD): “Lobby is verrijking
van het besluitvormingsproces”
Het nieuwbakken VVD-Kamerlid Anne Mulder (1969) is woordvoerder curatieve zorg, én oud-lobbyist. Mulder werkte bij het belangrijke Haagse lobbykantoor Pauw Sanders Zeilstra Van Spaendonck. “Ik heb onder meer de belangen vertegenwoordigd van het farmaciebedrijf GlaxoSmithKline en van de NVZ. Die heb ik geholpen hun afdeling public affairs op poten te zetten.”
Mulders taak bestond er voornamelijk uit zijn cliënten wegwijs te maken in Den Haag; hij voerde bijna nooit gesprekken met politici voor hen. “Ik vertelde welke discussies op een bepaald moment speelden. Waar ze op moesten letten. Legde een beetje uit hoe de Haagse politiek werkt. Maar doorgaans voerden mijn cliënten zelf de gesprekken.”
Nu wordt hij zelf benaderd door lobbyisten. Mulder is in korte tijd dat hij in de Kamer zit al behoorlijk populair geworden bij lobbyisten van de grote belangenorganisaties. “De tandartsen, de ziekenhuizen, de zorgverzekeraars, ze weten me allemaal te vinden. En hetzelfde geldt voor de farmaceutische industrie.” Mulder vindt die lobbyactiviteiten een “verrijking van het besluitvormingsproces. Ik ben op zoek naar de trends. En ik wil weten hoe maatregelen doorwerken in het veld, bijvoorbeeld hoe de ziekenhuizen denken dat de prestatiebekostiging gaat uitpakken.”
Sommige organisaties in de zorg hebben een zeer professionele lobby, zegt Mulder. “Een aantal zorgverzekeraars is echt heel professioneel. Die vertellen je rustig wat zij belangrijk vinden en wat bepaalde maatregelen volgens hen betekenen. Ik laat me bijpraten en dan geef ik de visie van de VVD.”
Al dat gelobby gebeurt “op een vrij ontspannen en zakelijke manier”, zegt Mulder. Hij is nog niet van de partij geweest op een van de vele buitenlandse studiereizen die vertegenwoordigers van het veld met ambtenaren, Kamerleden en soms ook de minister maken. Of een van de conferenties die geregeld plaatsvinden op prettige plekken in het buitenland. “Ik heb wel gehoord dat er niet zo lang geleden een gezelschap naar Londen is geweest om daar het ziekenhuislandschap te bestuderen. Waar ook de minister bij was. Ik vind het niet gek dat mensen die op hetzelfde terrein werkzaam zijn elkaar overal ontmoeten en met elkaar praten. En het lijkt me verstandig om af en toe eens over de grens te kijken. Het lijkt mij stug dat er op dat soort reizen en bijeenkomsten een-op-een beleidsafspraken gemaakt worden. De deelnemers hebben misschien deels dezelfde belangen, maar voor een ander deel juist tegengestelde. De politiek stelt wel degelijk de kaders vast. Maar misschien wordt er wel gesproken over de invulling van die kaders, over de uitvoering van het beleid dus.”
Aad Koster (Actiz)
“Kamerleden ondersteunen bij hun meningsvorming”
Directeur Aad Koster (1960) van brancheorganisatie Actiz van verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorginstellingen, lobbyt ook in Den Haag. “Wij proberen in de fase dat de ideeën nog ontwikkeld worden Kamerleden maar ook hun medewerkers onze opvattingen onder de aandacht te brengen. Door brieven, door e-mails, door fact sheets. En we nodigen hen uit. We overleggen ook met ambtenaren.”
Het is heel belangrijk dat de beleidsmedewerkers van Actiz een entree hebben bij de medewerkers van Kamerleden. “Dan kun je tijdig contacten leggen en die medewerkers ondersteunen bij hun meningsvorming. Dat is belangrijk, ook voor Kamerleden. Sinds vorig jaar nodigen we de Kamerleden die over langdurige zorg gaan en hun medewerkers ook uit op onze congressen.”
Koster ziet veel voordelen in reizen waarbij ambtenaren en zorgbestuurders samen op pad gaan. “Je kunt natuurlijk leren van het buitenland. Maar die reizen bieden ook de mogelijkheid om elkaar eens buiten het formele overleg om te spreken. Dan kun je het hebben over welke kant we eigenlijk op willen met de langdurige zorg. Buiten de officiële agendapunten om. Wat op die reizen en bijeenkomsten in het buitenland gebeurt heeft inderdaad wel veel invloed, denk ik.”
Renske Leijten (SP)
“Ik organiseer mijn werkbezoeken liever zelf”
“Ze proberen niet om je om te kopen, zo gaat het niet in Nederland”, zegt Renske Leijten, “in ieder geval niet in de zorg, voor zover ik weet. Leijten (1979) heeft in de vijf jaar dat ze in de Kamer zit een grondige kennis opgebouwd van de zorgwereld. Het SP-Kamerlid wordt vaak door professionals benaderd voor gesprekken. “Meestal gaat het op zo’n toon van we zullen het nog één keertje uitleggen. Dan zeg ik dat zo’n gesprek voor beiden niet heel nuttig zal zijn. Geregeld sturen ze daarom hun directeur of voorzitter om te overleggen wat we samen kunnen.” Ook patiëntenorganisaties weten Leijten te vinden. “Maar die zijn wel minder professioneel georganiseerd dan zorgverzekeraars. Die hebben allemaal hun eigen mensen. Met de kleine zorgverzekeraars heb ik een heel goed contact.”
De lobbyactiviteiten in haar richting zijn absoluut niet onoorbaar, zegt Leijten. “Ze gaan niet over de schreef, maar de werkbezoeken die de verzekeraars voor je organiseren zijn wel zo opgezet dat je alleen praat met mensen die in hun lijn praten. Daarom organiseer ik mijn werkbezoeken liever zelf.”
Leijten maakt zich veel meer zorgen over het circuit van zorgbobo’s dat volgens haar bestaat. “Dat is een enorm circuit waarin iedereen elkaar kent. Die treffen elkaar bij allerlei gelegenheden. In dat circuit worden feitelijk de besluiten genomen, daar wordt alles voorgekookt. In Zuid-Frankrijk bijvoorbeeld.” Elk voorjaar trekt daar een zware delegatie Nederlandse zorgbestuurders naartoe. Het ministerie van VWS is ook altijd vertegenwoordigd. En soms zijn er Kamerleden aanwezig. Achter gesloten deuren vinden daar interessante gesprekken plaats.”
Het SP-Kamerlid denkt dat op dergelijke bijeenkomsten de echte beslissingen worden genomen: “Bij de bitterballen op de borrel van Zorgverzekeraars Nederland wordt ook nog even het basispakket samengesteld.” Leijten heeft het niet zo op dit soort reisjes: “De minister die met zorgverzekeraars en ziekenhuisdirecteuren naar Londen gaat om daar inspiratie op te doen voor haar plannen met de Nederlandse zorg, ik vind het maar niks.” Over een andere reis – een studiereis langdurige zorg naar Zwitserland – stelde Leijten een serie Kamervragen. Minister Schippers beantwoordde die vragen uitvoerig en voegde op Leijtens verzoek ook een overzicht toe van de ‘buitenlandse dienstreizen van VWS met als doel kennisvermeerding’.
Schippers lichtte ook de inhoud van de reis toe. “Allereerst is op dinsdag aan de orde geweest: de financiering, solidariteit en organisatie van langdurige zorg in Zwitserland in vergelijking met de situatie in Nederland en de mate waarin zorgaanbieders zelf daarin het voortouw nemen in Zwitserland en Nederland. Op woensdag is gesproken over de noodzaak om de relatie tussen professionals in de zorg en cliënten centraal te plaatsen, wat daarvoor nodig is, hoe dat in Zwitserland gebeurt en hoe met name zorgaanbieders hieraan handen en voeten kunnen geven. Tot slot is op donderdag hetgeen is gezien, geleerd en besproken, vertaald naar een inhoudelijke agenda waaraan de deelnemers willen gaan werken.” Leijten heeft dus niet geheel ongelijk als ze stelt dat dergelijke reizen een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen van het beleid.