PraktijkThemaAansprakelijkheid
Thema van de maand RSS Archief

Aansprakelijkheid 

Bekeken 2644
Reacties 3
Beoordeling 13 keer beoordeeld
28-08-2009

Verslag van een gang naar het tuchtcollege

Zorg verlenen betekent ook risico lopen. Een ontevreden patiënt heeft de mogelijkheid om zijn zorgverlener aansprakelijk te stellen voor de geleverde zorg. Het overkwam huisarts Daniëlle den Duijf, tegen wie vorig jaar een zaak werd aangespannen. Haar – aangrijpende – verhaal vormt het vertrekpunt voor een verkenning van wat er met gebeurt als je in de molen van het tuchtcollege van de gezondheidszorg terechtkomt. En hoe je je hier het best tegen kunt wapenen.

 

Tekst Roel Notten

 

Huisarts Daniëlle den Duijf weet hoe het is om in het beklaagdenbankje te staan, en wil deze ervaring delen met haar collega's. 

Inleiding van de hoofdredacteur

In het thema van september 2009 vindt u een bijzonder artikel. Een huisarts die werd aangeklaagd door de nabestaanden van een overleden patiënt, en die zich moest verantwoorden voor het Tuchtcollege, doet openhartig haar persoonlijk relaas.

 

Dit verhaal, opgetekend door onze redacteur Roel Notten, is niet bedoeld als een feitelijke reconstructie van een – naar zijn aard ingewikkelde – aansprakelijkheidszaak. Het is bovendien het verhaal van maar één partij, namelijk de aangeklaagde huisarts. Het onderwerp van het artikel is dan ook niet de in en outs van de zaak als zodanig, want zoiets zou een heel ander journalistiek onderzoek vergen, maar alleen: wat het voor de betrokken arts betekende. Hoe zij een en ander zélf heeft ervaren, wat voor emoties dit bij haar losmaakte, en hoe dit haar professionele handelen blijvend heeft beïnvloed.

 

Wat ook weer eens glashelder uit dit artikel blijkt, is hoe belangrijk het is om als medisch professional goed tegen aansprakelijkheid verzekerd te zijn. In de casus die in deze Arts & Auto wordt beschreven, was dit laatste gelukkig het geval. Meer informatie over de risico’s van aansprakelijkheid, zowel tuchtrechtelijk als financieel, vindt u in aanvullende kaderteksten bij het artikel, inclusief aandacht voor wat VvAA op dit gebied voor u kan betekenen.

Flip Vuijsje, hoofdredacteur
f.vuijsje@artsenauto.nl  

Pas twee jaar is Daniëlle den Duijf (35) huisarts als zij op zondag 8 juni 2008 een patiënt ontvangt op de huisartsenpost in Dordrecht. Den Duijf adviseert de vrouw in geval van aanhoudende klachten haar eigen huisarts te bezoeken. Maar als zij een week later gebeld wordt met de mededeling dat de patiënt is overleden, slaat de schrik haar om het hart. Als de nabestaanden besluiten een klacht in te dienen bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag, breekt voor Den Duijf een emotioneel zware periode aan.

 

“Nog altijd als ik over het Zuidplein in Rotterdam loop, is er weer die herinnering. Daar op dat plein kreeg ik dat ene telefoontje. Het telefoontje van de huisarts van mijn patiënt. Deze vertelt me dat mijn patiënt een week na mijn consult dood in haar stoel is aangetroffen. Ik schrok van dat bericht. Niet alleen omdat de vrouw was overleden – ik realiseerde me direct dat haar dood consequenties voor mij zou kunnen hebben.

 

Ik heb toen gelijk het telefoonnummer van de nabestaanden gevraagd. Ik wilde graag met ze praten, om te horen hoe alles precies verlopen was en ook om mijn emoties te kunnen laten zien. De huisarts beloofde ze te bellen, en mij te informeren als hij ze had gesproken. Daarna bleef het stil.

 

Omdat ik inmiddels zo’n rotgevoel over de zaak had gekregen, en omdat ik graag iets van me wilde laten horen, nam ik een week later zelf de telefoon ter hand. De huisarts vertelde mij dat de nabestaanden geen behoefte hadden aan contact met mij. Zelf had hij ze wel gesproken, en hij schatte in dat ze geen klacht zouden indienen.

 

Twee weken later werd ik gebeld door de klachtencommissie in Dordrecht. De nabestaanden hadden toch een klacht ingediend. Ik kon wel door de grond zakken. Ik liet weten dat ik de klacht betreurde, zeker omdat ik in het begin al had aangeboden te willen praten. Maar een gesprek bleek ook nu niet mogelijk.

Wel verlangde de klachtencommissie een schriftelijke reactie van mijn kant. Ik stond op het punt op vakantie te gaan, maar wilde toch zorgvuldig gehoor geven aan de eis van de klachtencommissie en de wens van de nabestaanden.  Ik heb toen pen en papier gepakt en heb die brief geschreven.

 

Terug van mijn vakantie heb ik de klachtencommissie gebeld met de vraag of de nabestaanden nu wel voor een gesprek voelden. Dit bleek niet het geval. Daarop vertrok ik naar Istanbul voor een nascholingstraject. Op mijn eerste avond in Turkije werd ik gebeld door de klachtencommissie. De nabestaanden bleken niet tevreden met mijn brief, en hadden besloten een klacht tegen mij in te dienen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag.

 

“De nabestaanden hadden toch een klacht

ingediend. Ik kon wel door de grond zakken”

Het beeld dat ik mij voor het College in Den Haag zou moeten verantwoorden, gaf me een ellendig gevoel. Mijn angst was dat ik een waarschuwing of berisping zou krijgen. De gedachte aan een mogelijke aantekening in het BIG-register voelde als een soort strafblad, alsof ik niet meer clean zou zijn.

Eenmaal weer in Nederland startte ik met het voorbereiden van de zaak. Ik werd daarin begeleid door VvAA. De jurist die mijn belangen behartigde, was gespecialiseerd in dit soort zaken en bovendien op de hoogte van ‘mijn wereld’. Ik kon erg prettig met haar spreken. Voor het eerst kon ik bij iemand echt mijn verhaal kwijt.

 

Haar inschatting was dat ik een sterke positie had. Want hoewel mijn zaak een fatale afloop had gekend, had ik een 16 minuten durend consult gevoerd en dit consult goed gedocumenteerd. Daarnaast was er geen sectie verricht. De exacte doodsoorzaak was dus altijd een vraagteken gebleven.

 

Gesterkt door het optimisme van mijn jurist bereidde ik mij voor op de zaak, die naar verwachting na de zomer van 2009 zou plaatsvinden. Maar begin maart werd ik gebeld met de mededeling dat de zaak al op 17 maart zou dienen. Ik schrok. Daar had ik niet op gerekend.

 

“Een mogelijke aantekening in het BIG-register

voelde als een soort strafblad” 

Op 17 maart ging ik samen met mijn man en mijn jurist naar het Tuchtcollege. Met lood in de benen, dat wel. Eenmaal aangekomen bij het Tuchtcollege kwam ik de nabestaanden, alle drie de kinderen van de overledene, ook voor het eerst onder ogen. Een vreemd moment, ik voelde de stress van de afgelopen maanden door mijn lijf stromen.

 

Toen ik de zaal binnenstapte, zaten op een verhoging twee juristen, een voorzitter en drie artsen. Zes man in totaal die mij onbewogen aankeken. Het voelde afstandelijk, alsof ik een misdaad had gepleegd.

 

De zaak begon. De eerste vragen werden aan mij gesteld, maar ze vielen me mee. Zo vroeg het College naar de verloop van het consult en naar de details van het lichamelijk onderzoek dat ik had verricht. Ik voelde dat ik goed in staat was mijn verhaal te vertellen, hoefde ook niet te zoeken naar woorden. Daaruit putte ik moed.

 

"Twee juristen, een voorzitter en drie artsen.

Zes man in totaal die mij onbewogen aankeken" 

De orthopeed in de jury vroeg tot drie keer toe of ik niet had overwogen om aanvullend onderzoek te doen. Daardoor merkte ik dat ik onzeker werd; je staat toch onder enorme druk. Maar ik bleef bij mijn standpunt: ik had geen aanwijsbare redenen om aanvullend onderzoek te doen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik de enige huisarts in de jury bevestigend knikken. Dat gaf me vertrouwen.

 

De klagers vond ik eigenlijk niet vervelend. Ik kon hun emoties goed begrijpen. Per slot van rekening hebben zij hun moeder verloren.

 

Nadat de zitting was gesloten, wandelde ik samen met mijn man en mijn jurist terug naar het station. Onderweg deed ieder zijn zegje over wat zich die ochtend in de zaal had afgespeeld. Het viel me op dat mijn jurist een heel goed gevoel had. Volgens haar is uit het verloop van een zitting vaak al enigszins op te maken in welke richting de uitspraak zal gaan. Ikzelf had nog nooit zo’n zitting meegemaakt, en durfde dus nog niet teveel te rekenen op een goede afloop.

 

Na acht weken zou het Tuchtcollege uitspraak doen. In de ochtend van 12 mei belde ik dan ook direct met de vraag hoe laat ik de uitspraak kon verwachten. Daar kon men geen duidelijkheid over verschaffen. Er zat voor mij niets anders op dan op mijn werk iedere vijf minuten de site van het Tuchtcollege te raadplegen.

 

Opeens verscheen de uitspraak op het scherm. Dit was het moment. Direct naar beneden scrollend, de argumentatie overslaand, zocht ik naar de uitspraak: klacht afgewezen.

 

Nog steeds kan ik niet beschrijven hoe blij en opgelucht ik me voelde. Pas daarna las ik de argumentatie. Er viel geen speld tussen te krijgen. Mij trof geen enkele blaam.

 

Maar daarmee was de kous nog niet af. De tegenpartij had namelijk nog de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Hoewel ik nog niet helemaal zeker was van mijn zaak, voelde ik me wel geruster, helemaal na de eenduidige argumentatie van het College te hebben gelezen. Met die onderbouwing zou de tegenpartij ook in hoger beroep geen kans maken.

 

Hoewel ik dus niet verwachtte dat er een hoger beroep zou dienen, wachtte ik geduldig af. Maar de hele procedure was zo grillig verlopen dat het me niet zou verbazen als er toch een beroep zou komen. Uiteindelijk belde mijn jurist, ze had een positieve boodschap: de klagers hadden besloten niet in hoger beroep te gaan.

 

Ik voelde de woorden tot me doordringen: ‘Ze doen het niet.’ Ik voelde me op dat moment een heel ander mens worden. Ook al waren de voortekenen gunstig, nu kon ik dan eindelijk opgelucht ademhalen en alles een plekje geven.

 

“In het patiëntencontact ben ik nu alerter

op de eerste signalen van wrijving” 

Toch, hoe vervelend die hele periode ook voor me is geweest, ben ik een ervaring rijker. Ik kan nu andere artsen vertellen hoe het voelt om te worden aangeklaagd en wat dit met een zorgverlener doet. Die ervaring wil ik met andere artsen delen.

 

De manier waarop ik mijn werk doe, is als gevolg van de procedure veranderd. Waar ik vroeger patiënten met lichte klachten sneller weer naar huis stuurde, ben ik nu defensiever geworden in mijn waarneming op de huisartsenpost. Ook adviseer ik patiënten nog explicieter als er klachten ontstaan of verergeren, direct contact met mij op te nemen.

 

In mijn perceptie ben ik altijd zeer zorgvuldig te werk gegaan. Maar een dergelijke ervaring leert je toch nog een keer extra het zekere voor het onzekere te nemen. Ik denk dat dit ook geldt voor andere artsen die aansprakelijk worden gesteld: zij zullen patiënten sneller doorsturen, om zeker te zijn dat zij niets over het hoofd zien. Voor onze gezondheidszorg als geheel betekent dit wel dat meer en meer patiënten zonder directe noodzaak worden doorgestuurd. Al die hartfilmpjes die dus extra gemaakt worden, hebben ook weer een prijskaartje.

 

“Het is wel frustrerend dat onbegrip van

een patiënt kan leiden tot een klacht” 

De hele zaak heeft ook op andere punten mijn werk beïnvloed. Tijdens de procedure werd ik erg zenuwachtig van patiënten met gelijke klachten als de overleden patiënte. Ergens was ik op zo’n moment bang dat de geschiedenis zich zou herhalen. Nu de zaak is afgesloten, wordt dit gevoel gelukkig minder. Wel blijft de huisartsenpost Dordrecht nare herinneringen bij mij oproepen.

 

In het patiëntcontact ben ik nu alerter op de eerste signalen van wrijving tussen de patiënt en mij. Ik ben veel bewuster van het feit dat meebewegen soms nodig is voor een betere acceptatie en het gevoel van geruststelling bij de patiënt.

 

Veel consulten zijn niet spoedeisend. Maar als je dat de patiënt vertelt, begrijpt die dat niet altijd. Dat is soms vervelend maar het hoort nu eenmaal bij je beroepscode om daar professioneel mee om te gaan. Het is wel frustrerend dat dat onbegrip van een patiënt kan leiden tot een klacht. Vanaf dat moment is het aan de arts om aan te tonen waarom die klacht ongegrond is. Ergens vind ik dat heel onbevredigend. Een arts wordt als het ware op het matje geroepen. In de verdediging geduwd. Dat roept een gevoel van onrechtvaardigheid op.”

Geef uw beoordeling over dit artikel :

Reacties (3)

blanken r27-08-2009 | 12:01
lees ook eens het verhaal van dierenarts Ronner uit Montfoort.
Dit artikel is verschenen in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Te bizar voor woorden.
H van Egmond31-08-2009 | 08:40
Met de ervaring van een klacht bij Inspectie GGZ kan ik me een en ander goed voorstellen hoe onthutsend dat werkt. Ik mis in het artikel of de patiënte het advies heeft gevolgd en naar haar eigen huisarts is gegaan.
Roel Notten, redacteur Arts & Auto01-09-2009 | 09:45
Geachte heer/mevrouw Van Egmond,

Bij het schrijven van het artikel hebben wij ervoor gekozen om vooral de belevingswereld van een aansprakelijk gestelde zorgverlener en juist niet alle medische details van de zaak centraal te stellen.

Reageren?