PraktijkThemaselectievezorginkoopZorginkoop en fysiotherapie: de visie van VVAA
Thema van de maand RSS Archief

Zorginkoop en fysiotherapie: de visie van VVAA 

Bekeken 1824
Reacties 0
Beoordeling 4 keer beoordeeld
20-09-2008

Selectieve zorginkoop door zorgverzekeraars dwingt fysiotherapeuten om zich te heroriënteren op hun toekomst. Wordt samenwerken noodzaak, en zo ja: met wie? Een gesprek met Peter Rakké en Eric van Haperen, praktijkadviseurs bij VVAA, over het bepalen en uitvoeren van een nieuwe koers.

Tekst Roel Notten  

 

“Fysiotherapeuten vragen mij vaak wat er komt kijken bij een samenwerking met andere praktijken. Als ik dan doorvraag naar de echte motivatie, blijkt vaak dat men een vuist wil maken richting de zorgverzekeraar. Maar ik vraag me af of dit wel de juiste insteek is om een samenwerking aan te gaan.”

Peter Rakké is sinds 1998 praktijkadviseur bij VVAA en heeft veel ervaring met fysiotherapiecliënten. Velen hebben het gevoel dat ze weinig invloed hebben op de inkoopstrategie van zorgverzekeraars, en er is veel angst dat over een paar jaar solopraktijken niet langer gecontracteerd zullen worden.

 

Ook Rakké’s collega Eric van Haperen begrijpt de behoefte die veel fysiotherapeuten voelen om te gaan samenwerken: “Partijen die dit niet doen, zullen in de toekomst eerder afvallen in de contractenrace richting zorgverzekeraar. Ik kan me voorstellen dat zorgverzekeraars in een bepaalde regio straks één organisatie willen contracteren die alle specialismen aanbiedt.”

 

Specialisme en doelgroep

VVAA begeleidt fysiotherapeuten bij het bepalen van hun doelgroep, en bekijkt daarbij van geval tot geval of samenwerking zinvol of noodzakelijk is. “De overgang van het oude zorginkoopsysteem van een-op-eencontractering”, zegt Eric van Haperen, “naar meer functiegerichte of regionale contractering, is groot. Let wel: als fysiotherapeut ontkom je er vaak niet aan om je te laten contracteren door een zorgverzekeraar. Maar het kan dan een optie zijn om samen te werken. Hoe je dat precies doet, hangt er onder meer van af welk specialisme je uitoefent en op welke doelgroep je wilt focussen.”

 

“Stel”, zegt Peter Rakké, “dat je als fysiotherapeut binnen een zorgketen wilt werken. Bijvoorbeeld een diabetesketen, waarin een ziekenhuis, diabetesspecialisten, huisartsen en beweegprogramma’s actief zijn. Als klein onderdeel van zo’n keten moet je als fysiotherapeut zowel het overzicht van het geheel hebben als de eigen plaats kennen. En als VVAA kunnen wij juist hierin ondersteuning bieden.”

 

Maar deel uitmaken van een keten is voor lang niet alle fysiotherapeuten de beste optie. Van Haperen wijst erop dat de vraag naar fysiotherapie de komende jaren minimaal gelijk zal blijven, en waarschijnlijk zelfs zal toenemen. Er zullen bijvoorbeeld meer speciale programma’s voor ouderen komen. “Sommige fysiotherapeuten zullen door hun opleiding, outillage en financiële afspraken betrokken kunnen worden bij ketenzorg. Maar andere praktijken zullen juist focussen op de huidige eerstelijnszorg, bijvoorbeeld het behandelen van sportblessures.”

 

‘Consumént is zorginkoper’

Beide VVAA adviseurs merken in hun gesprekken met fysiotherapeuten dat nogal eens voorbij wordt gegaan aan de vraag wie nu werkelijk de inkopers van hun diensten zijn. Van Haperen ziet een ‘vaak vergeten markt’ in bedrijven en andere arbeidsorganisaties, die zorg kunnen inkopen voor hun eigen werknemers. “Als fysiotherapiepraktijk kun je besluiten je meer en meer op deze markt te richten. Naast ketenzorg en eerstelijnszorg is dit een duidelijke derde poot.”

 

En dan is er ook nog een kleine vierde poot, namelijk de individuele consument die zelf zorg kan inkopen: “Met de invoering van de Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie (DTF) in 2006 biedt dit de mogelijkheid specifieke patiëntcategorieën te bedienen.”

 

Rakké vult aan: “Ik hoor van veel praktijken dat DTF in sommige gevallen heeft geresulteerd in een nieuwe klantenstroom, overigens zonder dat dit landelijk heeft geleid tot een stijging van het aantal behandelingen. In zo’n situatie kun je stellen dat de individuele consument jouw voornaamste ‘zorginkoper’ is, met de onderkenning dat de consument veelal afhankelijk blijft van diens zorgverzekeraar. Die laatste blijft belangrijk, maar er liggen voor individuele fysiotherapiepraktijken dan toch weer nieuwe kansen. Per slot van rekening is het de consument zelf die uiteindelijk bepaalt waar hij voor zijn zorg komt, en waarvoor hij in voorkomende gevallen bereid is een flink hoger tarief te betalen. Als je maar kwaliteit biedt. Je kunt in dat geval besluiten je investeringen hierop aan te passen. Mijn algemene boodschap is dan ook: kijk goed waar je kansen liggen, en bepaal aan de hand hiervan je strategie.”

 

Het wiel uitvinden is daarbij niet altijd nodig. Goed om je heen kijken biedt in veel gevallen al uitkomst. Rakké en Van Haperen vinden dat fysiotherapeuten zich soms niet voldoende realiseren hoe groot hun netwerk is. “Er lopen zoveel connecties waar je vaak geen weet van hebt. Als je de tijd neemt om die goed in kaart te brengen, kun je later betere strategische keuzes maken.”

 

Waarbij, aldus Rakké, VVAA weer goed van pas komt bij het inschatten hoe die keuzes voor een specifieke praktijk financieel, fiscaal en juridisch uitwerken. “Samen met onze belastingadviseurs bieden wij fysiotherapeuten hiermee een fullservice pakket.”

 

Financiële valkuil

Hoe kunnen praktijken aantonen wat hun toegevoegde waarde is? Rakké geeft als voorbeeld: “Als je echt toegevoegde waarde hebt en als enige op zaterdag of direct na de sportwedstrijd geopend bent, bewijs je direct je onderscheidend vermogen.” Verder: “Laat zien dat je geen wachtlijsten hebt. Dergelijke credits maken je ook interessant voor de zorgverzekeraar.”

 

En hoe kunnen fysiotherapeuten zelf bijdragen aan het verhogen van hun eigen kwaliteitsniveau? Van Haperen wijst in dit verband op de HKZ-certificering (harmonisatie kwaliteitsbeoordeling zorgsector) als een manier van werken die innovatie kan bevorderen. Met HKZ laat je aan patiënten en verzekeraars zien dat je voldoet aan ten dele zelfopgelegde kwaliteitseisen. “Maar de andere kant van de medaille is dat HKZ veel tijd en energie vergt. Kritische intercollegiale toetsing is erg belangrijk, en moet worden vastgelegd, inclusief de bijbehorende procedures. Dan kan HKZ juist een financiële valkuil worden, die tijdrovend is en omzet kost. Die omzetderving moet vervolgens weer worden gecompenseerd in hogere tarieven, wat weer riskant is in een tijd van neergaande conjunctuur.”

 

Goud in handen

VVAA weet door jarenlange ervaring wat er speelt in de fysiotherapiemarkt. “We zien vele honderden praktijken per jaar van binnen”, zegt Eric van Haperen, “en weten intussen hoe in de eerstelijnszorg de hazen lopen. Als een praktijkhouder zegt: ‘Ik heb een plan waar ik veel geld mee ga verdienen’, dan kunnen wij heel snel zeggen of dat wel of niet een haalbare kaart is.”

 

“VVAA,” vult Rakké aan, “is daarbij heel laagdrempelig, en gewoon makkelijk bereikbaar. Telefoontjes worden afgehandeld door een selecte groep die enkel en alleen bezig is met fysiotherapeuten. Een vraag waait daardoor niet uit, zoals elders weleens het geval kan zijn.”

 

Wat is, tot slot, de beste strategie waarmee fysiotherapeuten ook in een situatie van steeds selectievere zorginkoop hun vak goed kunnen blijven uitoefenen? Eric van Haperen zegt: “Blijf uitgaan van je eigen kracht. Probeer je minder te laten beperken door wat de zorgverzekeraar je oplegt.” En Peter Rakké vindt: “Blijf eerlijk naar jezelf, en probeer de vraag te beantwoorden waar jij voor staat en wat jij belangrijk vindt in de zorg die jij levert. Ik neem graag onze waterpolodames als voorbeeld. Die kenden hun kracht, hadden hun plan en lieten zich niet beperken door de heersende opinie dat zij geen favoriet waren. Maar aan het einde van de rit stonden ze met goud in handen!”

Geef uw beoordeling over dit artikel :

Reacties

Reageren?