PraktijkThemaselectievezorginkoopZorginkoop en tandheelkunde: de visie van VVAA
Thema van de maand RSS Archief

Zorginkoop en tandheelkunde: de visie van VVAA 

Bekeken 2094
Reacties 0
Beoordeling 0 keer beoordeeld
11-10-2008

In vergelijking met andere medici hebben tandartsen relatief weinig van doen met selectieve zorginkoop door zorgverzekeraars. Een groot deel van de tandheelkundige zorg is namelijk niet-gecontracteerd. Kan de tandarts achterover leunen? Zeker niet. De ingetreden marktwerking doet een groot beroep op de bereidheid om te vernieuwen. Namens VVAA werpt Edwin Brugman een blik op de toekomst. Een gesprek over onzekerheid en de risico’s van het ondernemerschap.

 

Tekst Roel Notten

 

Edwin Brugman onderhoudt namens VVAA de contacten met besturen en directies van koepelorganisaties in de zorg, waaronder ook de NMT en ANT. Ook spreekt hij regelmatig tandartsen in het veld. Al geruime tijd bespeurt hij een sluimerend gevoel van onvrede over de relatie met zorgverzekeraars. Brugman: “Tandartsen voelen zich onder druk gezet door de zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars proberen richting hun klanten de indruk te wekken dat zij zich vooral bekommeren om de kwaliteit van de zorg, maar tegelijkertijd spreken zij met de tandartsen in het geheel niet over kwaliteit. Hierdoor hebben tandartsen het gevoel dat de zorgverzekeraar alleen maar geïnteresseerd is in de hoogte van de kosten.”

 

Dit heeft tandartsen onzeker gemaakt over wat zij kunnen verwachten van zorgverzekeraars. Om een krachtig tegengeluid te kunnen vormen, hebben velen van hen daarom besloten geen contracten meer te sluiten met zorgverzekeraars. In sommige regio’s adviseerden tandartsen hun cliënten zelfs om geen naturapolis (directe vergoeding aan zorgaanbieder), maar een restitutiepolis (vrije keuze zorgverlener) te sluiten, om te voorkomen dat zorgverzekeraars bepalen door welke zorgverlener de consument wordt behandeld.

 

Afhankelijkheid

Hoewel hij de reacties van de tandartsen goed begrijpt, plaatst Brugman wel een kanttekening. Hij maakt zich zorgen over het feit dat veel tandartsen toch vooral lijken te reageren op de ontwikkelingen en nog niet echt een visie hebben op de richting waarin een en ander zich lijkt te ontwikkelen. Hij wijst op de reactie van zorgverzekeraar VGZ, toch een grote partij, die de rollen leek om te draaien door geen contracten meer te willen sluiten met solisten. “VGZ veroorzaakte met deze houding veel onrust, zeker omdat er tandartsen waren die zich wel schikten naar de wensen van de verzekeraar. Er ontstond een tweedeling. Iets dergelijks waren tandartsen niet gewend, en dus waren zij er ook niet goed op voorbereid. De zorgverzekeraars hebben duidelijk de inzet bepaald, en creëren blijkbaar heel bewust het gevoel bij tandartsen dat zij tot op zekere hoogte afhankelijk kunnen zijn van de zorgverzekeraar.”

 

Afhankelijkheid. Het woord is gevallen. Hoewel knarsetandend, ontkomen tandartsen er niet aan enige afhankelijkheid van een relatie met de zorgverzekeraars onder ogen te zien. “De zorgverzekeraar speelt nu eenmaal een belangrijke rol in het veld. Die rol negeren is geen optie, dat is je verzetten tegen de werkelijkheid.”

 

Ook in de situatie met VGZ kwam er toch weer een dialoog tot stand. “Door deze dialoog zijn sommige tandartsen zich gaan realiseren dat de verzekeraar niet alleen blokkades opwerpt, maar ook kansen biedt. Deze tandartsen denken dat door samenwerking een goede positie kan ontstaan ten opzichte van de zorgverzekeraars, en dat het sluiten van een overeenkomst op de lange termijn voor hen profijtelijk kan zijn.”

 

Focus op de kosten

In de dialoog tussen verzekeraar en zorgverlener lijkt het echter vooral te gaan om verlaging van de kosten van de tandheelkundige zorg. Het gebrek aan aandacht voor kwaliteit maakt de verzekeraars echter voor de tandartsen niet bepaald geloofwaardig. Brugman: “Daar waar zorgverzekeraars richting patiënten de mond vol hebben van kwaliteit, is dit vooralsnog een lege huls.”

 

Brugman wijst ook op de overheid, die in zijn ogen niet voldoende ruimte geeft voor het door haar zo gepromote ondernemerschap. “Van zorgondernemers wordt feitelijk gevraagd risico te nemen, te innoveren en te investeren in zorgondernemingen om deze efficiënter en doelmatiger te maken. Het veronderstelde resultaat hiervan is een mogelijke daling van de kosten van de zorg. In plaats van dat we zorgprofessionals in deze missie stimuleren en motiveren, legt de overheid hen een strikt norminkomen op en zet de zorgverleners in de hoek. Minder verdienen kan, dat is het ondernemersrisico, meer verdienen mag niet. Dan denk ik, overheid, wat wil je nu? Competente mensen die met veel passie de zorg in eerste instantie beter en mogelijk ook goedkoper maken en daar zelf ook goed aan verdienen of iedereen heel strak in het keurslijf plaatsen en straks heel blij zijn dat niemand meer verdient dan de Balkenende-norm? En voor zover ik weet loopt de minister-president zelf geen enkel ondernemersrisico”

 

Veel aandacht gaat de laatste tijd uit naar de zogenaamde taakherschikking, een overheidsmaatregel waarmee verbetering van de doelmatigheid wordt beoogd. Deze taakherschikking houdt voor de tandheelkunde in dat steeds meer werk van tandartsen zou moeten verschuiven naar professionals op een ander niveau, die hetzelfde werk goedkoper zouden kunnen uitvoeren. Brugman: “Veel tandartsen zien dit met lede ogen aan. Begrijpelijk en misschien voor een brede discussie vatbaar, maar de ontwikkeling lijkt niet te stoppen. Je kunt verwachten dat verzekeraars taakdelegatie zullen stimuleren. Immers, als bepaalde taken worden uitgevoerd door minder hoog opgeleide professionals, zullen in de ogen van de overheid en verzekeraars de kosten moeten kunnen dalen. Als verzekeraars kunnen aantonen dat bepaalde handelingen goedkoper kunnen worden uitgevoerd, geldt de daarop aangepaste kostprijs als de norm. De tandarts die om welke reden dan ook dergelijke taken níet delegeert, krijgt dan de rekening gepresenteerd.”

 

Sparringpartner

Dit alles dwingt de tandarts na te denken en richting te kiezen. Brugman geeft aan dat er veel vragen zijn. “Op welke manier organiseer ik mijn praktijk? Hou ik op lange termijn grip op de keuze van mijn patiënten als het gaat om de keuze voor de zorgverlener? Hoe vang ik de gevolgen op van concurrentie? Kan ik mijn kwaliteit zichtbaar maken voor de consument, en eventueel voor de zorgverzekeraar?”

 

Weinig tandartsen zullen bij de keuze voor hun vak gedacht hebben ooit voor deze vraagstukken te komen staan. Het zijn feitelijk ondernemingsvraagstukken in een door de overheid gereguleerde markt. Een verzakelijking lijkt onvermijdelijk. Er staat dus nogal wat te gebeuren voor tandartsen. Waarin kan VVAA hen van dienst zijn?

 

Brugman: “Wij kunnen onze leden helpen ontwikkelingen zichtbaar te maken en te vertalen in wat ze voor hen zelf betekenen. Vaak maken tandartsen keuzes die voortvloeien uit bedreigingen. Ze reageren dus vooral en zijn niet altijd proactief. VVAA kan een objectieve sparringpartner zijn. Onze adviseurs brengen in kaart welke veranderingen uw onderneming beïnvloeden en reiken de verschillende alternatieven aan.”

 

Als voorbeeld noemt Brugman de tariefsontwikkeling. “Periodiek stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de maximale tarieven vast. De NZa doet dit aan de hand van een zogenaamde normpraktijk. Die normpraktijk is feitelijk een optelsom van het norminkomen en de normkosten. Deze optelsom leidt uiteindelijk tot het vaststellen van een puntswaarde. Als gemiddeld genomen de efficiency van praktijken toeneemt, verlaagt de NZa de puntswaarde telkens, zodat tandartsen steeds minder kosten mogen rekenen voor dezelfde behandeling. Het streven naar doelmatigheid lijkt hierdoor dus eigenlijk te worden afgestraft. Vooral kleine praktijken zullen hiervan de dupe zijn, omdat zij moeilijker een efficiencyslag kunnen maken, terwijl de door grotere mondzorgcentra gerealiseerde doelmatigheid uiteindelijk ook in hun tarief zal doorwerken. De traditioneel ingestelde tandarts zal dus steeds harder moeten gaan werken om hetzelfde inkomensniveau te handhaven.”

 

Volgens Brugman staan tandartsen voor een aantal keuzes, en kunnen de adviseurs van VVAA daarbij helpen door de gevolgen van de verschillende keuzes in beeld te brengen. “De vraag is uiteindelijk of de tandarts ervoor kiest naar het spel te blijven kijken, of toch stappen durft te zetten op het feitelijke speelveld. Hoe moeilijk dat ook is en hoe onrechtvaardig dat voor velen ook zal voelen.”

Geef uw beoordeling over dit artikel :

Reacties

Reageren?