Aanpak verzuim huisartsenpraktijk

Het verzuim in de huisartsenpraktijk neemt toe. Met name het verzuim als gevolg van psychische klachten komt vaker voor. Praktijkhouders kunnen hier – veelal preventief – iets aan doen.

Tekst: Daan Marselis | Beeld: Shutterstock

 

Burn-out, een ernstige ziekte, gebroken botten, beroepsgerelateerde kwalen of gewoon een griepje; verzuim is altijd vervelend. Voor de zieke, maar ook voor diens collega’s en werkgever. Helaas stijgt het verzuim in de huisartsenpraktijk; van 3,15 procent in 2013 naar 3,45 procent in 2014. De verwachting is dat het verzuim nog verder zal stijgen. Dat blijkt ook uit de verzuimmonitor van de LHV over de eerste twee kwartalen van 2015.

Daarbij zijn wel enkele nuanceringen op hun plek. De stijging geldt niet voor alle soorten verzuim; alleen op het vlak van psychische klachten is sprake van een toename. Ook is het niet zo dat men vaker ziek is. Sterker nog, het aantal ziekmeldingen daalt. Dat het verzuimcijfer stijgt, komt vooral doordat de gemiddelde duur van het verzuim toeneemt.

Complexer
Overigens doet de huisartsenzorg het qua verzuim helemaal niet slecht. Ondanks de stijging lag het verzuim vorig jaar nog altijd lager dan in het piekjaar 2011 (3,64 procent). Ook ligt het verzuimpercentage in de huisartsenzorg nog ruim onder het gemiddelde van de gehele zorgsector (4,8 procent) en zelfs onder het landelijk gemiddelde (3,8 procent). Het verzuim door psychische klachten stijgt doordat veel praktijken door bijvoorbeeld substitutie en schaalvergroting veel complexer zijn geworden. Ook kregen veel medewerkers nieuwe taken. Deze veranderingen kunnen leiden tot spanningen op de werkvloer.

Verder past de toename van dit type verzuim ook in een landelijke trend,
zegt Ingrid van Oosterhout, senior productmanager Inkomen en Zorg bij VvAA. “Door de afbouw van de ouderenvoorzieningen wordt een steeds groter beroep gedaan op mantelzorgers die daardoor misschien meer onder druk komen te staan. In de zorg werken veel vrouwen, die over het algemeen toch wat vaker mantelzorg verlenen dan mannen. In de huisartsenpraktijk is zelfs 97 procent van de medewerkers vrouw. En ook omdat vrouwen in de huisartsenpraktijk vaak parttime werken en een zorgend beroep hebben, wordt van hen vaak verwacht dat ze het er wel even bij doen.”

Werkgevers zouden er daarom goed aan doen regelmatig werkoverleg te voeren waarin de veranderende taak en werkomgeving aan de orde komen. Daarnaast kunnen werkgevers letten op signalen die langdurig verzuim door psychische klachten voorspellen. Denk aan werknemers die vaker dan drie keer kortdurend verzuimen. En onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ kan een werkgever met de ‘mantelzorgende’ werknemer de mogelijkheden verkennen van flexibele werktijden, een ander takenpakket of zorgverlof.

Onduidelijke verwachtingen
Toch is ondanks alle inspanningen langdurig verzuim niet altijd te voorkomen. In die gevallen zijn er organisaties die werknemers en werkgevers begeleiden bij de terugkeer. Zoals reïntegratiebureau Keerpunt, dat hiervoor een samenwerking heeft met onder meer LHV, KNMT en KNMP. Bij langdurig verzuim is vaak onduidelijk wat werkgever en werknemer van elkaar mogen verwachten, zegt adviseur Boukje Bruinsma van Keerpunt. “De bedrijfsarts zegt bijvoorbeeld dat de medewerker weer kan werken, maar de werknemer ervaart
dat heel anders. In zo’n geval moet de werkgever met de werknemer in gesprek om uit te zoeken waarom die dat zo anders ervaart. Ook moet hij afspraken maken en vastleggen over de werkhervatting.” Bruinsma kan ook helpen bij het opstellen van een reïntegratieplan. Bijvoorbeeld door de werknemer in eerste instantie te laten werken op boventallige basis. Zo kan hij of zij wennen aan het werk en ondanks tegenwerpingen toch een poging wagen.

Het is belangrijk dat werkgevers zich inspannen voor de terugkeer van hun medewerkers. Doen ze dat onvoldoende, dan kan het UWV een sanctie opleggen en eisen dat de werkgever na de verplichte twee jaar loondoorbetaling nog een jaar langer loon doorbetaalt.

Tot slot wijst Van Oosterhout er nog op dat praktijkhouders zich naar hun zieke werknemers niet als arts moeten opstellen maar als werkgever: “Ga niet zelf dokteren, want je hebt in dezen een heel andere verantwoordelijkheid. Vooral huisartsen vinden dat vaak moeilijk, omdat dokteren hun dagelijkse rol is.”