Van non-issue tot verplichte kost

“Dokter ga ik dood?” vraagt de patiënt. “Dat is de enige zekerheid, die ik u kan geven”, reageer ik. Natuurlijk is dit een flauwe reactie, ik weet niet hoe vaak ik dit in de spreekkamer heb gezegd maar het zou nu niet in mij opkomen om zo te reageren. Ik denk trouwens niet dat ik zelf zo gevat was om op een dergelijke reactie te komen. Misschien aapte ik een collega na want zo gaat dat! Hoe vaak hoor je niet in ’t medische circuit dezelfde oneliners?

Ik kan mij niet herinneren dat tijdens mijn beroepsopleiding tot huisarts over de dood werd gesproken. Of wat nauwkeuriger uitgedrukt: over hoe je met patiënten over de dood of – nog enger – over doodgaan moest spreken. Op het woord kanker – ‘de ziekte met de grote K’ – lag immers al een taboe. Moet je mensen die doodziek zijn ook nog eens belasten met een exposé over doodgaan?

In de jaren negentig van de vorige eeuw veranderde dit echter radicaal. De dood werd van non-issue verplichte kost. “Mijnheer, u weet dat u helaas longkanker heeft en ongeneeslijk ziek bent; hoe staat u tegenover euthanasie?” Op een nascholing over terminale zorg werd van jou als huisarts verwacht dat je ongevraagd ‘alle opties’ aankaartte. Dat vond ik nogal pijnlijk. De achterliggende gedachte was echter helder: patiënten zijn bang voor de dood en angstig om over doodgaan te praten; jij moet hen als huisarts over de drempel heen helpen.

De laatste jaren vliegen de doden mij om de oren. Nu gaat het niet om patiënten maar om familieleden, vrienden en kennissen. Het is best wel verdrietig om in korte tijd zo veel dierbare mensen te verliezen. En eerlijk gezegd ook griezelig. Na afloop van een uitvaart vraag ik wel eens hoe de dode tegenover het doodgaan stond. Vaker dan verwacht blijkt dan dat er helemaal niet over doodgaan en de dood is gesproken. Over materiële zaken wordt beter nagedacht dan over sterven. Soms lijkt het dat er meer over de dood wordt gezwegen naarmate het gaat om oudere mensen, waarbij 90-plussers de kroon spannen.

“Ben u bang om over doodgaan te spreken?” Na een aantal jaren in de praktijk koos ik soms schoorvoetend voor deze vraag om over de dood te beginnen. De antwoorden waren soms ontnuchterend in de geest van “Nee, maar ik doe het liever niet, dokter, want je houdt hem toch niet tegen.” Voor de Franse filsoof Michel de Montaigne (1533-1592), schrijver van de Essais, was de doorleefde en geaccepteerde zekerheid van – en duidelijke niet de angst voor – de dood een legitieme reden om hiermee niet of in elk geval niet al teveel bezig te zijn.

Uit het land van Montaigne kreeg ik recentelijk een troostrijke mail van een kennis, die mij een hart onder de riem wilde steken. “Mijn moeder is 80 jaar, heeft nu voor de vijfde keer kanker maar is nog altijd vol levenslust en denkt simpelweg niet aan de dood. Dat is haar kracht.” Het is bijna alsof je de dood op een afstand houdt door er maar niet aan te denken. Getuigt dat van een positieve instelling – zoals mijn Franse kennis suggereert – of speelt er heimelijk toch angst? Zelf pieker ik overigens al meer dertig jaar over doodgaan maar de dood heeft mij nog niet te grazen genomen.

Delen