Detective

Emma Bruns (28) is arts en publicist. Ze was medeorganisator van het evenement ‘Ziekenhuis van de toekomst’ in september.

 

 

 

“It is a capital mistake to theorize before you have all the evidence. It biases the judgement.” Deze woorden van Sherlock Holmes gericht aan zijn rechterhand Watson lijken haast geschreven voor deze plek. Terwijl de avondzon de aarde van de oprit van het ziekenhuis dieprood kleurt, zoemen de muggen om mijn muskietennet. Soms lijkt reizen naar een ander land op reizen in de tijd. En daarmee lijken de kwaliteiten van een goede detective in 19de-eeuws Londen op die van een arts-assistent chirurgie in het Saint Francis’ Hospital in Zambia.

Het afgelopen jaar werkte ik als arts-assistent chirurgie in het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn. De vuurdoop in de kliniek was een labyrint van sneltoetsen in computerprogramma’s, onvindbare protocollen en het sociale spel tussen alle betrokkenen bij het klinische proces. Na een jaar had ik veel geleerd, dacht ik. Ik zag patiënten op de spoedeisende hulp, assisteerde bij operaties en liep visite op zaal. De kennis van de chirurgen, met name zij die nog ‘algemeen’ opgeleid waren, was opmerkelijk, van zeer basaal tot gespecialiseerd, maar dat was vooral ervaring, dacht ik.

Voor mijn vertrek was ik druk met het evenement ‘Ziekenhuis van de toekomst’. In Zambia ben ik juist met heel basale zaken bezig. Om kwart over zeven open ik de klapdeuren van ‘Kizito’, de chirurgische mannenzaal waar gemiddeld vijftig mannen liggen. Er zijn geen computers en labwaarden, afgezien van HB en bezinking. We doen het met basale radiologie en een beperkt aantal medicijnen. Daarnaast heb ik een paar bijzonder waardevolle instrumenten: mijn supervisor Robert Bleichrodt, abdominaal chirurg en hoogleraar, en mijn zintuigen.

De uitdaging om in een ziekenhuis in de tropen te werken is tweeledig. Enerzijds is de pathologie bijna altijd uitzonderlijk en buiten bestek van enig protocol, anderzijds zijn de middelen om tot een diagnose te komen bijzonder gering. Dit vereist een groot improvisatievermogen, wat tegelijkertijd een groot gevaar is. En wel omdat voor elke vorm van creativiteit een enorme hoeveelheid basiskennis van de geneeskunde in de breedste zin en een schat aan ervaring absoluut nood-zakelijk zijn. Improvisatie is niets waard als de ‘creatieve clinicus’ niet weet waar hij van afwijkt.

Sinds ik hier ben, besef ik wat een geoliede machine de zorg in Nederland is. Als beginnend assistent in Apeldoorn heb ik een jaar lang gezweefd op de kennis van verpleegkundigen, collega’s, supervisoren, operatieassistenten, onderzoekers en vele anderen. Als je chirurg wilt worden, begint het bij de basis die in Nederland vanzelfsprekend is geworden, zowel in het klinische onderzoek als in de therapie. Het is een pijnlijke gewaarwording hoe ondermaats mijn kennis is over basale zaken als verbandmateriaal, hechtdraad, vormen van lichamelijk onderzoek en allerlei manoeuvres, geuren en observaties waar ik nog nooit van gehoord had. Is het vermogen om te ausculteren minder belangrijk als je een X-thorax kunt maken? Ik betwijfel het. Hoe leert een arts van de toekomst een onderzoek niet aan te vragen?

Het ziekenhuis van de toekomst in Nederland zal onvermijdelijk nog meer meetinstrumenten en therapeutische mogelijkheden bieden en de gemiddelde assistent zal in staat moeten zijn om in deze tsunami aan informatie de hoofd- van de bijzaken te onderscheiden. Maar net als Sherlock heeft mijn supervisor in de tropen mij een belangrijk ding geleerd over de toekomst. Wil je een lastig klinisch probleem helder houden, dan moet je de kunst bezitten om op basis van kennis alleen dat te doen wat noodzakelijk is.