Erbij horen of erbij hangen

Het blijft bijzonder om mensen op te zien groeien en een eigen leven te zien opbouwen. Of het nu gaat om patiënten, om kinderen van collega’s of om de eigen familie. Zo’n leven kan alle kanten op gaan. Daarbij is het altijd mogelijk dat de volgende stap niet vooruit is.

Dat besef is niet nieuw. Toch moest ik even slikken toen ik onverwacht iemand zag binnenkomen met haar man. Ik heb haar leren kennen als jonge tiener en haar zien opbloeien. Ze is op eigen benen gaan staan, met een leuke man en een prachtig kind. Nu kwamen ze samen langs omdat hij een hersentumor heeft met een infauste prognose. Misschien kwam dat ook wel door het levensplezier dat deze mensen dwars door hun verdriet heen bleven uitstralen. Het gevoel dat zoiets zulke jonge bloeiende mensen niet hoort te overkomen raakte ik niet kwijt.

Later die dag groeide bij mij het besef dat we onze zorg vooral richten op degene die kanker heeft. Ongeacht de prognose en ongeacht de fase. Daarop zijn de ondersteuningsmogelijkheden gericht, daarvoor zijn zorgpaden ingeregeld en kerstbomen opgetuigd.

Natuurlijk kan de partner van iemand met kanker ook uit eigen beweging met een hulpvraag komen. Er is niets dat dit in de weg staat. Of dit ook veel gebeurt zou ik niet durven te zeggen.

In mijn ogen is de partner van iemand met een levensbedreigende ziekte net zo goed iemand waar aandacht naar uit hoort te gaan. Alleen al de levensvragen die zo’n proces met zich meebrengt zijn zo fundamenteel en onvermijdelijk, dat het voor mij vreemd aanvoelt om te wachten tot diegene zich meldt met een hulpvraag. Of eigenlijk met een vastloper.

Zou het niet mooi zijn om voor partners van mensen met een levensbedreigende ziekte uit te gaan van ondersteuning tenzij, in plaats van ondersteuning indien? Misschien wordt het tijd voor een nieuwe DBC. Eentje waarin plaats is voor twee mensen in plaats van één.

Delen