Favoriete pil – Hadrianus’ Gedenkschriften

Mariska Koster (Den Haag, 1963), voormalig longarts, is bij Janssen verantwoordelijk voor allianties met universiteiten voor innovatief onder- zoek. Haar favoriete pil: Hadrianus’ Gedenkschriften van de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar.

Tekst: Frank van Kolfschooten | Beeld: De Beeldredekatie/ Medea Huisman

 

“Ik heb alle boeken gelezen van Marguerite Yourcenar, die als eerste vrouw tot de Académie Francaişe werd toegelaten”, zegt de Zutphense arts Mariska Koster, alliance manager bij Janssen Pharmaceutica. “Een van haar boeken is heel bijzonder voor mij geworden en dat is Hadrianus’ Gedenkschriften. Magistraal is het deel waarin zij beschrijft wat er gebeurt tussen een arts en een patiënt als de zeer slechte conditie van een patiënt en diens naderende dood onbesproken blijven.”

Het boek is een lange fictieve brief van keizer Hadrianus (76-138) aan zijn geadopteerde zoon Marcus Aurelius, die hem zal opvolgen als keizer. Hadrianus schrijft Marcus dat hij bij zijn lijfarts is geweest en dat hem duidelijk is geworden dat hij doodgaat, zonder dat het onderwerp is aangesneden. Koster citeert twee zinnen, waarin Yourcenar/Hadrianus scherp observeert hoe een patiënt zich kan voelen ten overstaan van een arts: “Het is moeilijk om keizer te blijven in tegenwoordigheid van een dokter, moeilijk ook om dan onze mensenwaarde te behouden. Het oog van de vakman zag in mij niets dan een klomp vochten, een droevig mengsel van lymfe en bloed.”

Koster heeft passages over Hadrianus’ lijfarts vaak gebruikt in lezingen over palliatieve geneeskunde. “Ze maken in één klap de arts-patiëntrelatie duidelijk. En ook dat artsen het vaak moeilijk vinden om slecht nieuws te brengen, omdat ze het niet verdragen dat ze een patiënt niet meer kunnen genezen. Een slechtnieuwsgesprek roept ook emoties op bij de arts zelf en daar kan niet iedereen even goed mee uit de voeten.”

‘Zo toepasbaar op de alledaagse praktijk van vandaag de dag’

Hadrianus vergeeft zijn lijfarts dat hij zijn naderende dood voor hem verborgen probeert te houden en schrijft: ‘men praktiseert niet ongestraft meer dan dertig jaar’. Koster: “De keizer ziet dus in dat dit is wat het vak met artsen doet. Ik vind het zo toepasbaar op de alledaagse praktijk van vandaag de dag.”

Koster is zelf in 2012 gestopt als longarts met aandachtsgebied oncologie. Zo’n 70 pro- cent van de patiënten was overleden binnen negen maanden nadat Koster ze voor het eerst had gezien op de polikliniek. “Ik ging moeilijke gesprekken niet uit de weg en wilde mijn patiënten tot hun dood intensief begeleiden”, zegt ze. “Sommige artsen hebben een technischer taakopvatting, maar het paste niet bij mij om afstandelijker met patiënten om te gaan. Omdat het werk mij op den duur emotioneel leegzoog, heb ik mijn carrière voortgezet buiten het ziekenhuis.”