In kou door rapport Voltooid leven

Ignace Schretlen
Ignace Schretlen is publicist, beeldend kunstenaar en voormalig huisarts. Lees alle artikelen van Ignace Schretlen

Classicus Anton van Hooff leert ons in zijn vorig jaar verschenen boek Sterven in stijl dat in de klassieke oudheid iedereen het recht had het leven in eigen hand te nemen. Medische hulp was bij ‘vrijwillige dood’ – in het Grieks ‘hekousios thanatos’ en in het Latijn ‘mors voluntaria’ – een vanzelfsprekendheid. Na bijna vier eeuwen Christendom formuleerde theoloog, filosoof en kerkvader Augustinus (354-430) evenwel in zijn werk De civitate Dei (Over de staat van God) het onvoorwaardelijke verbod op zelfdoding. Tot op de dag van vandaag ondergaan wij hiervan de invloed.

Ik gun u na een sterfbed waarin u in vol vertrouwen kunt rekenen op onbeperkte professionele en liefdevolle zorg van harte een zacht en vredig inslapen temidden van uw dierbaren. Maar vergeet niet dat doodgaan nog altijd deel uitmaakt van het leven en dat leven niet zonder strubbelingen verloopt. Vraag mij niet waarom sommigen in een stadium waarin ik al tien keer dood had willen zijn het leven blijven koesteren en anderen om voor mij onbegrijpelijke redenen zichzelf de dood injagen. Het leven heeft mij geleerd dat het onmogelijk is om je volledig in het lichaam, de psyche en de geest van de ander te verplaatsen. Elke hulpverlener dient hiervan doordrongen te zijn. Artsen moeten accepteren dat een doodsverlangen vanuit onpeilbare diepte kan komen. Daar zijn geen woorden voor.

Het rapport Voltooid leven over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten telt 244 pagina’s, is op gedegen wijze tot stand gekomen en beschouw ik als een waardevolle bijdrage aan maar beslist niet als een sluitstuk van een debat dat niet zonder ruis verloopt. Er wordt in dit rapport veel overwogen, gewenst en gewaarschuwd maar uiteindelijk staan een – nu wellicht nog – kleine categorie patiënten maar ook een veel grotere groep mensen die serieus over hun levenseinde nadenken wel in de kou. Op 30 januari 2016 schreef NRC-redacteur Enzo van Steenbergen:

“Uit de reacties op het NRC-onderzoek [over o.a. euthanasie, IS] bleek inderdaad dat lezers genegen zijn verder te gaan dan de euthanasiewet toestaat. Een meerderheid zou graag willen dat er een ‘levenseindepil’ beschikbaar komt voor ouderen die hun leven voltooid vinden.”

Waar wringt de schoen? Uit de conclusies van de Adviescommissie Schnabel komt het volgende, cruciale citaat:

“Een en ander brengt de adviescommissie tot de conclusie dat de WTL (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) voldoende ruimte biedt om het merendeel van de ‘voltooid leven’-problematiek te ondervangen. In veel gevallen zal namelijk sprake blijken te zijn van een medische grondslag waarbij een combinatie van medische en niet-medische problemen heeft geleid tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden (…).”

Los van het feit dat hierin wordt toegegeven dat inderdaad mensen met een ‘voltooid leven’-problematiek aan hun lot worden overgelaten, domineert ondanks de schijn van het tegendeel het perspectief van de medicus.

Babyboomers maken nu vaak van nabij mee hoe de generatie voor hen overlijdt en dat kleurt hun visie op doodgaan. Mijn eigen moeder kwam in 2012 in de periode voor haar overlijden nog in aanmerking voor 24-uurs verzorging thuis, maar in 2015 kon een tante in gelijke situatie niet meer dan (bijna) 12 uur thuiszorg krijgen. Bij terminale zorg wordt een appèl gedaan op alle registers; al na een paar dagen kan dit onervaren mantelzorgers te veel worden. De Volkskrant berichtte zaterdag jl. dat vier op de tien relaties tussen ouders en volwassen kinderen niet harmonieus zijn; de familieband is vaak te slecht voor mantelzorg. Wie durft er een beroep te doen op buren met overvolle agenda’s, op buurtgenoten waarvan je hooguit de naam kent, of op dertigers en veertigers uit de wijk die jou in het voorbijgaan niet eens meer aankijken? Tot de problemen die de adviescommissie signaleert in het kader van euthanasie en de ‘levenseindepil’ behoort de negatieve beeldvorming over ouderen. Voor dit laatste wordt aandacht gevraagd van de overheid en de politiek, maar in iets wat diep verankerd ligt in een heersend sociaal-economisch klimaat breng je geen verandering met een reclamecampagne of een eenmalig huisbezoek.

De WTL is in 2001 van kracht geworden. In de periode van 2004-2014 is het aantal mensen dat in een jaar euthanasie kreeg verdubbeld tot 5300. Voor deze trend is nog altijd geen goede verklaring. Bij de stichting de Einder melden zich steeds meer mensen die middelen voor zelfdoding in het buitenland willen bestellen, in feite een sluipweg naar de ‘levenseindepil’.

Natuurlijk beseft vrijwel elke arts die betrokken is bij euthanasie en hulp bij zelfdoding dat het ‘medisch perspectief’ beperkt zicht biedt op wat er al dan niet onderhuids speelt maar niet geheel onbegrijpelijk wordt dan toch gekozen voor een terugtrekkende beweging: een hulpverlener kan niet immers alle misère van de patiënt op zich nemen.

Anders ligt het bij een commissie die op macroniveau een reële vraag moest analyseren en daarover advies moest uitbrengen. Ook deze commissie heeft nu een terugtrekkende beweging gemaakt en een signaal vanuit de samenleving onderschat, waardoor misschien nu nog slechts een kleine groep maar in de toekomst veel meer burgers aan hun lot worden overgelaten. Hoe nu verder?