One Health en angst voor status

Björn Eussen rondde zijn MBA-studie af met een onderzoek naar One Health. Hij bracht in kaart welke obstakels de samenwerking tussen veterinaire en humane zorgprofessionals remmen. 

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: Phil Nijhuis/DB

 

Iedereen kent de noodzaak, de cijfers, de rapporten”, zegt Björn Eussen (37) over One Health, de gezamenlijke aanpak voor mens, dier en ecosysteem. “Humane en veterinaire zorgprofessionals moeten samenwerken, dat weten ze, en toch gebeurt het op te kleine schaal. Een zoönose-uitbraak als Q-koorts brengt beide beroepsgroepen bij elkaar, maar het blijkt lastig die samenwerking te continueren.”

Het verbaast Eussen, die diergeneeskunde studeerde, een marketingopleiding volgde, een MBA-diploma haalde en als adviseur werkt bij Brabers Cor-porate Counsel in de humane en veterinaire sector, dat er tot op heden weinig onderzoek is gedaan naar die samenwerking. “In het bedrijfsleven gebeurt dat wel. Neem KLM en Martinair, twee vliegtuigmaatschappijen die samengaan. Dan volgt een onderzoek: welke obstakels zijn er en welke interventies kunnen helpen die obstakels weg te nemen? Over samenwerking tussen humane en veterinaire geneeskunde is echter nauwelijks literatuur beschikbaar. Hoe en hoe vaak kennisuitwisseling plaatsvindt en welke belemmeringen er zijn, is onbekend.”

‘Beide professies weten dat ze kennis moeten delen, maar hóe doe je dat?’

Daarom heeft Eussen aan vijftien experts en hoogleraren met kennis van zowel het humane als het veterinaire veld gevraagd welke obstakels de samenwerking belemmeren. Vervolgens heeft hij hun inbreng samengevoegd en een rangorde aangebracht. Op nummer 1 staat het ontbreken van een helder geformuleerd doel. “One Health lijkt een containerbegrip geworden”, legt Eussen uit. “Er is focus nodig. Kies een topic – een van de zoönotische infectiesoorten of een deelgebied van comparative medicine wellicht – en ga daarmee samen aan de slag.” Obstakel nummer 2 luidt dat kennisdeling lastig blijkt in de praktijk. “Beide professies weten dat ze kennis moeten delen, maar hóe doe je dat?”

In een MBA-promotieonderzoek aan de Nyenrode Universiteit gaat Eussen zich op dat laatste richten. Zelf heeft de onderzoeker er al wel ideeën over. “Een grote promotiecampagne kan helpen, al heb ik daar een kanttekening bij. Breng het niet te geforceerd. Bij specialistische beroepsgroepen, zoals binnen de geneeskunde, roept te sterke sturing weerstand op. Het moet van onderaf groeien. Beroepsverenigingen moeten samenwerking faciliteren op eerste- en tweedelijnsniveau.” Eussen ziet goede initiatieven ontstaan. “Op eerstelijnsniveau krijgen humane en veterinaire zorgprofessionals gezamenlijk nascholing aangeboden; een laagdrempelige en vrijblijvende manier om met elkaar in contact te komen.”

Naast de vijftien interviews heeft Eussen een enquête uitgezet onder alle leden van de KNMvD en KNMG. Vanuit de humane hoek kreeg hij veel minder respons dan vanuit de veterinaire wereld. Zijn verklaring: “In het algemeen zoeken humane artsen minder contact met hun veterinaire collega’s dan omgekeerd. Dat komt, denk ik, doordat zij in hun perceptie belangrijker zijn dan diergeneeskundigen. Ze hebben een hogere status en dus meer te verliezen.” Dat vraagt om uitleg. “Iemand met een hoge status heeft bepaalde competenties en vaardigheden, maar heeft niet op alle terreinen kennis in huis. Wanneer hij de interactie aangaat, komt dat aan het licht. Zo verliest hij status. Voor wie een lagere status heeft, valt er juist iets te winnen.”

In zijn promotieonderzoek wil Eussen dieper ingaan op deze statusverschillen en de angst voor statusverlies. “In het bedrijfsleven is dit soort verbanden aangetoond, in de zorg nog niet, maar ik heb sterke aanwijzingen dat het speelt. Als we dit kunnen aantonen, kunnen we ook kijken welke interventiemogelijkheden er zijn.”