Uitlaatklep – Hockeyscheids

In ‘Uitlaatklep’ vertellen collega’s op welke manier zij even stoom afblazen en loskomen van de hectiek van alledag. In deze aflevering: Hauwy Goei, gastro-intestinaal chirurg in het Zaans Medisch Centrum.

Tekst: Martijn Reinink  | Beeld: De Beeldredaktie/Marco Okhuizen

Door zijn vier hockeyende kinderen komt Hauwy Goei (53) met de sport in aanraking. Inmiddels speelt de chirurg zelf al een jaar of vijftien ‘trimhockey’ (“Laag niveau, alleen voor de lol”), maar haalt hij vooral voldoening uit het fluiten van hockeywedstrijden. “Ik stond bij de kinderen te kijken en dacht: als ik er toch ben, kan ik me ook wel inzetten.” Bij hun club, Rood-Wit in Aerdenhout, doet Goei de opleiding tot CS (clubscheidsrechter) en CS+, waarna hij zich zelfs aanmeldt voor de opleiding tot bondsscheidsrechter bij de KNHB. “Daarvoor moet je een portfolio bijhouden en elk weekend een of twee wedstrijden fluiten. Lastig te combineren met mijn werk, maar ik vond het té leuk.”

Binnen zes maanden heeft Goei het ‘blauwe jasje’ binnen, wat inhoudt dat hij officieel bondsscheidsrechter is. Vrij vlot promoveert hij vervolgens van de laagste klasse tot het hoogste niveau in de districtscompetitie Noord-Holland. Ambities om op een nog hoger, landelijk niveau te acteren, heeft de chirurg niet. “Daar heb ik de tijd niet voor.” Lachend: “En de snelheid ook niet.” 

Chirurg Hauwy Goei: ‘Een dag nagenieten van een goed besluit’ 

Vanwege weekend- en achterwachtdiensten kan de chirurg niet elk weekend fluiten, maar de keren dat hij wel kan, geniet hij er met volle teugen van. “Ik wil de 22 spelers op het veld een plezierige middag bezorgen. En dat doe je als scheidsrechter door goede, rechtvaardige besluiten te nemen. Dat waarderen spelers, ook als een besluit dan een keer nadelig voor hen uitpakt. Daarbij is attitude minstens zo belangrijk. Je moet autoriteit uitstralen, maar niet te veel; je moet er wel met een lach staan.” 

Het arbitreren helpt Goei om zijn gedachten te verzetten. “Of ik me nou ergens druk om maak of een beetje hoofdpijn heb: vijf minuten na het eerste fluitsignaal ben ik alles kwijt. En na een wedstrijd houd ik er, zeker als het heel goed ging, een soort van euforisch gevoel aan over. Dan app ik de volgende dag even met de collega-scheidsrechter: ‘Dát was een goed besluit, hé?’ Ja, daar kan ik nog wel een dag van nagenieten.”