‘Van productie naar kwaliteit’

Zijn periode als voorzitter van de Federatie Medisch Specialisten zit er bijna op, maar KNO-arts Peter Paul van Benthem heeft het nog veel te druk om terug te kijken. Hij gaat vol gas over de finish. “De innovatie die we nodig hebben om de transitie naar passende zorg te maken, komt van de werkvloer.”

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: Nout Steenkamp

Het is begin september. Eerder deze week maakte de Federatie Medisch Specialisten bekend dat voorzitter Peter Paul van Benthem (61) zich niet beschikbaar stelt voor herbenoeming na afloop van zijn huidige termijn, die op 1 januari 2023 eindigt. De KNO-arts had nog even door gemogen als voorzitter, maar beschouwt het afsluiten van het Integraal Zorgakkoord (IZA) als een ‘natuurlijk moment’ om het stokje over te dragen. Met zijn afscheid is hij nog totaal niet bezig. “Er is nog zó veel te doen”, zegt Van Benthem, wanneer hij vanuit zijn huis in Apeldoorn in de Zoom-meeting verschijnt. Hij hoopt dat het interview niet zo lang gaat duren, want vandaag legt de Federatie de finale versie van het IZA voor aan de achterban. Of hij zélf tevreden is met het akkoord dat VWS en zorgpartijen hebben bereikt? “Daar kan ik niet te veel over zeggen, want dat verstoort het proces waar ik middenin zit. Bij zo’n akkoord is het altijd compromissen sluiten; geven en nemen. Het is nu aan onze leden om te bepalen of ze vinden dat we het goed hebben gedaan of niet.” 

Goed genoeg blijkbaar, want een aantal dagen na het interview stemt de Federatie in met het IZA, in tegenstelling tot LHV, V&VN en ActiZ, die bij het ter perse gaan van dit nummer het zorgakkoord (nog) niet hebben ondertekend. 

Los van de inhoud van het akkoord vindt Van Benthem de keuze van VWS voor integraliteit in plaats van verschillende hoofdlijnenakkoorden wel een goede. “We moeten met z’n allen de grote problemen tackelen die op ons afkomen. De vraag is of we mensen van mijn generatie over twintig jaar nog de hoge kwaliteit van zorg kunnen bieden die we in Nederland gewend zijn.” 

Het IZA is erop gericht dat het aandeel werkenden in de zorg de komende jaren niet verder stijgt; is het dan überhaupt mogelijk de zorg beschikbaar en bereikbaar te houden, laat staan de kwaliteit te handhaven? “Dat is een enorme uitdaging. Daarom is het belangrijk om al die partijen aan tafel te hebben en samen te kijken: wat is ieders rol? Wat is de rol van professionals, instellingen, toezichthouders, verzekeraars, overheid? Vanuit de medisch specialist bezien is dat zo effectief mogelijk zorg verlenen, en dus ook de juiste zorg op de juiste plek. Daarvoor moeten we in verbinding staan met andere domeinen. Als de huisarts patiënten met huwelijksproblemen of schulden niet in het sociale domein kwijt kan, dan kan de huisarts voor de medisch specialist geen landingsplek vormen. Want de huisarts kan niet alles doen, de wachtkamer zit al overvol.” Met zoveel partijen en evenzoveel belangen tot een akkoord komen, hoe lastig is dat? “Natuurlijk botst het weleens, omdat partijen nou eenmaal verschillende ideeën hebben over hoe we het goede kunnen bereiken, maar er zijn toch verrassend veel gelijkgerichte belangen.”

‘De huisarts kan niet alles doen, de wachtkamer zit al overvol’

De Federatie ging de IZA-gesprekken in met een lijst prioriteiten waarvoor zij zich hard wilde maken. Daar staat op: halveer de administratie- last, investeer in IT, versterk het sociale domein, maak echt werk van preventie en nog veel meer. Wat níet op het prioriteitenlijstje staat, is het recht op vrije artsenkeuze. Al betekent dat volgens Van Benthem niet dat de Federatie dat niet belangrijk vindt. “Wij vinden dat mensen hun eigen arts moeten kunnen kiezen. In een eerdere versie van het akkoord kwam dat recht onder druk te staan. Het is goed dat het hinderpaalcriterium nu wel expliciet wordt benoemd en dat het coulanceverbod uit het IZA is verdwenen. Dat is ook van belang om nieuwe, innovatieve zorgaanbieders de mogelijkheid te geven om toe te treden.” 

Er zijn zorgorganisaties die zich ook na deze aanpassingen nog zorgen maken over inperking van de vrije artsenkeuze. MIND, belangenorganisatie voor patiënten in de ggz, heeft onder meer daarom het IZA niet ondertekend. Van Benthem: “Wij verwachten, ook na uitspraken van de Hoge Raad, dat de vrije artsenkeuze nu politiek en juridisch geborgd is.” 

Professional betrekken 

Iets anders wat de Federatie graag zou zien, is dat ziekenhuizen en zorgverzekeraars medisch specialisten betrekken bij contractonderhandelingen. “Nu zijn dat vrij arme gesprekken over budgetafspraken: een procentje meer of minder. Zeker nu we voor de transitie naar passende zorg staan, moet er een veel inhoudelijker gesprek worden gevoerd. We moeten van budgetafspraken over productie naar afspraken over kwaliteit. En als je het over kwaliteit hebt, dan kun je die afspraken niet maken zonder de professional daarbij te betrekken.” Volgens de voorzitter willen specialisten massaal af van de ‘productiedrive’. “De MSB’s hebben een tijdje terug een handreiking naar de minister gestuurd waarin ze aangaven dat ze dit willen. Ik merk het ook tijdens werkbezoeken die ik afleg: alle specialisten willen van productie naar kwaliteit, of ze nu in loondienst of vrijgevestigd zijn.” 

Dat brengt ons bij een andere prioritiet, een standpunt dat de Federatie al jarenlang uitdraagt: geen verplicht dienstverband voor medisch specialisten. Hoe gaat de Federatie de vrijgevestigde positie van specialisten beschermen? “De belangrijkste bescherming zit hem in het feit dat we met elkaar, in verbinding met andere partijen, de goede dingen doen. In het IZA hebben we indringende afspraken gemaakt over passende zorg en bestuurbaarheid van ziekenhuizen. Zolang die grote doelen niet worden bedreigd, zal de discussie over verplicht dienstverband niet aan de orde zijn. Specialisten moeten de vrije keuze houden.”

‘Als alle specialisten die het overwegen ook écht minder gaan werken, dan kunnen we heel veel jonge klaren plaatsen’

Veel jonge klaren komen aan die keuze niet eens toe. Zij hoppen van tijdelijke naar tijdelijke aanstelling, worden onderbetaald of zijn met een anios-contract in dienst. Sommigen zitten zelfs werkloos thuis. “Ik lig niet gauw ergens wakker van, maar hiervan wel”, biecht Van Benthem op. “In mijn voorzittersperiode is dit een van de grootste en meest weerbarstige problemen gebleken. Het is niet te verkroppen dat de langst en hoogst opgeleide professionals van Nederland aan het einde van de rit geen werk hebben.” Wat doet de Federatie voor deze groep? “Ik kan niet zomaar een oplossing uit de mouw schudden, maar we nemen dit probleem heel serieus, samen met onze leden, de wetenschappelijke verenigingen. Zij komen met goede initiatieven. Er zijn er die accountants langs praktijken sturen om te kijken of er nog ruimte is om een jonge klare aan te stellen. Daarnaast zijn er wetenschappelijke verenigingen die oproepen doen om in te dikken: grotere groepen specialisten die allemaal een tiende inleveren, en ouderen soms zelfs nog meer, om jongeren de ruimte te geven. Dat hebben wij op onze KNO-afdeling in het LUMC ook gedaan, omdat we een jonge collega graag wilden behouden. Ook zijn er MSB’s die een jongeren-en-ouderenbeleid hebben gemaakt: pensionado’s mogen niet meer waarnemen, ook al is dat makkelijk. Ze geven die waarneemplekken aan jongere specialisten. Ik denk dat we al die kleine oplossingen bij elkaar moeten plussen, om ervoor te zorgen dat het goed komt. Als Federatie kunnen we dit niet alleen; de verantwoordelijkheid ligt ook bij ziekenhuizen en academische centra.” 

Eerder dit jaar publiceerden de Federatie, de LAD en De Jonge Specialist de resultaten van de eerste Loopbaanmonitor Medisch Specialisten. Daar kwam uit dat 73 procent van de medisch specialisten minder zou willen werken. Dat zou toch perspectief moeten bieden voor jonge klaren? “Een hoopgevende uitslag. Als alle specialisten die het overwegen ook écht minder gaan werken, dan kunnen we heel veel jonge klaren plaatsen. Dus mijn oproep zou zijn: doe dat, geef ruimte.” 

Leven naast werk

Uit de loopbaanmonitor, ingevuld door ruim 10.000 aiossen en medisch specialisten, blijkt ook dat bijna iedereen (96 procent) trots is op zijn of haar werk. Tegelijkertijd geeft 28 procent van de aiossen en 30 procent van de medisch specialisten in de groep ‘mid-career’ aan (zeer) ontevreden te zijn over de werkdruk. En meer dan een derde van de aiossen is (zeer) ontevreden over de werk-privébalans. Bij medisch specialisten ligt dat percentage op 17 tot 25 procent. “De wachtlijsten zijn lang, er is veel inhaalzorg te doen, de druk staat erop. En zeker als je jong bent en veel ballen in de lucht probeert te houden, kan het lastig zijn om een goede werk-privébalans te vinden. Op onze KNO-afdeling bieden we het Challenge & Support-coachtingsprogramma aan en we hebben 0,8 fte in de opleiding de norm gemaakt. Aiossen mogen meer of minder werken, maar hiermee willen we aangeven dat er ruimte is voor een leven naast het werk.” Van Benthem gaat niet mee in de vaak gehoorde suggestie dat de nieuwe generatie specialisten het leven naast het werk belangrijker vindt dan zijn generatie deed. “Ik vond het leven naast het werk vroeger ook belangrijk, en nog steeds. Wat ik zie op mijn afdeling is dat het ongelofelijk ambitieuze jonge mensen zijn die het beste uit het leven willen halen. Dan heb je wel eens een balansprobleem. Geldt trouwens ook voor mij.” 

‘Meer dan een derde van de aiossen is (zeer) ontevreden over de werk-privébalans’

Dat daar steeds meer aandacht voor komt, bijvoorbeeld dankzij de Zin in Zorg-beweging, juicht Van Benthem toe. “Zin in Zorg staat ook voor werkplezier. Dat is een van de belangrijke dingen. De innovatie die we nodig hebben om de transitie te maken, komt van de werkvloer. Van dokters, van verpleegkundigen. Zij gaan nieuwe dingen verzinnen die we met elkaar nodig hebben in de toekomst, maar dan moeten we ze wél ruimte en vertrouwen geven en stoppen met onnodige verantwoordingscycli om te controleren en te beheersen.” In het begin van de coronapandemie heeft Van Benthem gezien wat dat oplevert. “Toen kregen we de vrijheid om patiëntenstromen te verleggen, cohortafdelingen in te richten, ic’s op te schalen. Dat medisch en verpleegkundig leiderschap heeft ons heel veel gebracht. Collega’s zeiden: ‘We hebben het hartstikke druk, maar zo zou het altijd moeten zijn: maximaal vertrouwen krijgen om de dingen te doen waarvoor we zijn opgeleid.’” Wat dat betreft stemt het IZA hoopvol: regels moeten, zo staat in het akkoord, ‘zinnig en radicaal simpel zijn’. Tegelijkertijd leidt nieuwe wetgeving zoals de Wtza nou niet bepaald tot minder administratie. “Het beperken van de administratieve lasten is de toets die we voor een heleboel trajecten hebben afgesproken”, zegt Van Benthem. “Het IZA bestaat voor een belangrijk deel uit afspraken over hoe we met elkaar aan de slag gaan.” In de maanden die hem nog als voorzitter resten, wil hij het akkoord ‘vertalen naar een medisch-specialistische werkagenda’. “Zodat we precies weten wanneer we welke rol hebben en die rol zo goed mogelijk kunnen vervullen. Er komt nog een enorme bak werk aan. Ik ga vol gas over de finish.”

Curriculum vitae

Peter Paul van Benthem (1961) geboren in Arnhem

  • 1987 
    artsexamen studie geneeskunde, Erasmus Universiteit, Rotterdam 
  • 1987-1992
    specialisatie tot KNO-arts, Stads- en Academisch Ziekenhuis Utrecht
  • 1992
    promotie: Histofysiologisch onderzoek bij een dierproefmodel voor de ziekte van Menière
  • 1993
    toetreding maatschap KNO-artsen in Apeldoorn; parttime werkzaam op KNO-afdeling Universitair Medisch Centrum Utrecht, onder meer klinisch onderzoek naar de ziekte van Menière
  • 2001-2003
    (vice)voorzitter medische staf, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn
  • 2004-2015
    voorzitter maatschap KNO, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn
  • 2007-2012
    bestuurslid landelijke vereniging KNO-artsen; trekker van de eerste wetenschapsagenda voor de wetenschappelijke vereniging van KNO-artsen
  • 2015-heden
    hoogleraar en afdelingshoofd afdeling KNO, LUMC
  • 2016-2020
    bestuurslid Federatie Medisch Specialisten, portefeuille wetenschap en innovatie
  • 2020-2023
    voorzitter Federatie Medisch Specialisten

Één Reactie Reageer zelf

  1. Rose-Marie
    Geplaatst op 23 september 2022 om 13:18 | Permalink

    Jammer dat u nog steeds achter maatschappen staat..!
    Deze leiden echter nog steeds tot een prikkel tot productie.
    Vanuit uw perspectief ( ook maatschap) teveel uit eigen belang.
    Het aantal managers en beleidsmedewerkers kan zeker ook omlaag.
    Artsen en verpleegkundigen samen hebben veel meer zicht en
    know how op de werkvloer, die tot betere beleidskeuzes zullen
    Leiden. Bovendien kunnen de kosten die deze managers etc
    kosten, veel beter besteed worden aan extra artsen en zorgpersoneel. Met als effect minder werkdruk, minder jonge
    klaren aan de kant en meer werk plezier en bovenal minder
    uitval en burn-outs.
    Het wordt tijd, dat de verpleegkundigen ook een markt conform
    salaris krijgen. De keuze voor een H.B.O.V gaat plaats maken
    voor het bedrijfsleven of ICT.

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*