‘Vraagtekens durven zetten’

Zoeken naar antwoorden in een zee vol onzekerheden, terwijl iedereen meekijkt: een pandemie verslaan is topsport. Nooit eerder lagen wetenschapsjournalisten zo onder een vergrootglas. Hoe houden zij hun hoofd koel in tijden van polarisatie, nepnieuws en oplaaiende emoties?

Tekst: Aliëtte Jonkers | Beeld: Shutterstock

“De plaag van deze tijd is dat leken niet snappen hoe wetenschap werkt”, zegt Maarten Keulemans (52). De wetenschapsjournalist, die door de Volkskrant helemaal vrijgemaakt is voor corona, oogt fris en uitgeslapen in zijn thuiswerkkantoortje, zittend achter zijn bureau, met een zwart-witgevlekte kat op zijn schouder. Zojuist trok hij een bijna verbluft gezicht bij de vraag of hij na 1,5 jaar coronaverslaggeving niet helemaal afgedraaid was. “Wát? Welnee, ik heb meer energie dan ooit!” 

Stiekem, grinnikt hij wat besmuikt, vindt hij het bijna jammer dat de coronacrisis op haar eind loopt. Hij heeft nog nooit zo vaak met zijn artikelen op de voorpagina gestaan. Mag hij zeker straks weer over vage muizenexperimenten gaan schrijven? Nee, dan corona. Dat is elke dag weer spannend. Vooral omdat iedereen opeens een mening over de bestrijding van SARS-CoV2 heeft, van steigerbouwer tot politicus, van psychotherapeut tot ICT-manager. 

Maarten Keulemans

Maarten Keulemans:
‘Het stak me dat sommige lezers de wetenschap niet meer vertrouwden’

Wat opvalt, zegt hij, is dat mensen zich graag vastbijten in eenvoudige oplossingen. “Gooi de ramen open, gewoon goed ventileren, dan kunnen we weer terug naar normaal, hoor je vaak. Mensen geloven graag in een soort goddelijke ingreep, een magic bullet.” En dat terwijl wetenschap een wat rommelig proces is, doordrenkt van mitsen en maren, statistische valkuilen en onzekerheden. “De buitenwereld eist heldere, klinkklare antwoorden, maar die zijn er vaak niet.” Toch gingen wetenschappers soms te gemakkelijk door de knieën voor de maatschappelijke zucht naar zekerheid, vindt Keulemans. “Zeker in het begin was de toon erg geruststellend. Vertrouw op ons, wij fixen het wel: dat was de boodschap. Zo werd er gezegd: we gaan gewoon heel veel testen en dan komt het goed. Daarmee hebben ze zich in de vingers gesneden. Ze deden beloftes die ze niet konden waarmaken. Het gevolg was dat sommige mensen zeiden: zie je wel, er klopt niets van wat ze ons vertelden.” 

Als voorbeeld noemt Keulemans de avondklok. “Er was geen evidentie dat een avondklok het R-getal naar beneden zou halen. Het OMT baseerde zich op, onder meer, een meta-analyse uit Nature Human Behaviour. In die publicatie kwam naar voren dat de effectiviteit tussen de 8 en 13 procent zou liggen, maar dat percentage ging over alle gedwongen beperkingen van de bewegingsvrijheid, dus ook reisbeperkingen en harde lockdowns. Van Dissel had dus beter kunnen zeggen: het eerlijke antwoord is dat we het gewoon niet precies weten, maar dat we het verstandig vinden om toch zo’n maatregel te nemen. Critici gingen nu – terecht trouwens! – los op Van Dissel. Ze hadden gelijk: er was geen bewijs.”

Het is geen kwade wil van de voorzitter van het OMT, denkt Keulemans. “Het ligt meer in de hoek van onhandig communiceren. Van Dissel is een heel goede onderzoeker – ik vind hem trouwens ook heel aardig – maar hij is niet goed in het uitleggen van complexe zaken. Intensivecare-arts Diederik Gommers van het Erasmus MC kwam ook vaak in de media. Inhoudelijk is hij minder goed ingevoerd dan Van Dissel, maar communicatief is hij heel sterk.” Maar dat sommige lezers er vervolgens voor kozen om de wetenschap helemaal niet meer te vertrouwen, dat stak de Volkskrant-journalist. “Mijn baken is de wetenschap, studies en evidencebased medicine. Ik vond het eng om te merken dat mensen zich opeens lieten meevoeren door bakerpraatjes en homeopathisch verdunde theorietjes. Weliswaar is dat een luidruchtige minderheid, maar soms voelde het echt bedreigend.”

Het heftigste wat Keulemans meemaakte, is een hetze opgezet door Maurice de Hond. De opiniepeiler probeerde herhaaldelijk, in blogs en op social media, twijfel te zaaien over de integriteit en deskundigheid van de Volkskrant-journalist. Uiteindelijk ging De Hond zo ver, dat hij alle Volkskrant-journalisten die hij kende, inclusief de hoofdredacteur, e-mails stuurde met de boodschap dat ze hun collega niet moesten vertrouwen. Keulemans: “Hij kwam zelfs bij hoofdredacteur Pieter Klok op gesprek. Natuurlijk heeft die zijn volste vertrouwen in mij uitgesproken, maar het voelde extreem ongemakkelijk dat Maurice de Hond in een ruimte verderop in het Volkskrant-gebouw voor mijn ontslag aan het pleiten was.”

Irritante vragen

Iemand die voor de buitenwereld misschien iets meer in de coulissen werkt, maar regelmatig primeurs heeft en journalistieke prijzen wint, is onderzoeksjournalist Milena Holdert (35) van Nieuwsuur. Samen met haar collega Renee van Hest sleepte zij in mei van dit jaar nog de prestigieuze journalistieke prijs De Tegel binnen voor haar producties over richtlijnen in de ouderenzorg. Daarin kwam naar voren dat medewerkers en bestuurders in de verpleeghuis- en thuiszorgsector in de coronacrisis in onveilige situaties zijn gebracht door de richtlijnen van het RIVM. Zorgmedewerkers zeiden dat zij daardoor ouderen besmet hebben die later zijn overleden. De jury van De Tegel roemde Holdert en haar collega, ‘die vraagtekens durven te zetten bij richtlijnen waar veel mensen op moeten vertrouwen’. En dat terwijl ze geen wetenschapsjournalist is. 

Milena Holdert

Milena Holdert
‘Er werd gedaan alsof ik een ‘nuisance’ was, alsof ik ze lastig aan het vallen was’

Natuurlijk, zegt ze, buiten in de zon voor haar Amsterdamse woning, ze weet heus wel iets van de wetenschap achter corona, maar hoe het precies zit met eiwitten en uitsteeksels op de buitenkant van virusdeeltjes: dat is niet de kern van haar werk. “Als onderzoeksjournalist is het mijn taak om de zittende macht te volgen en te controleren, of het nu gaat om grote bedrijven, de politiek of de wetenschap. Welke maatregelen worden er genomen, waar is beleid op gebaseerd en waarom eigenlijk? En hoe verhoudt wat er wordt gezegd en gedaan zich tot andere landen? Daar duik ik in.”

Holdert – snel pratend, geconcentreerde blik – verbaasde zich erover dat de leden van het OMT in het begin niet bekendgemaakt werden. Nog vreemder werd het toen ze vragen begon te stellen over het gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen in verpleeghuizen. Eén verpleegkundige vertelde Nieuwsuur dat haar werk aanvoelde als Russische roulette. Zij zei: “Ik mag die mondkapjes niet dragen en ik weet dat het niet veilig is, maar ik ga wel van kamer naar kamer met daarin coronapatiënten. En óók naar bewoners van verpleeghuizen waar nog niets mee aan de hand was.” Op dat moment wisten Holdert en haar collega Van Hest dat ze veel meer mensen wilden spreken.

Maar de overheid reageerde afwerend en soms regelrecht getergd: als Holdert de woordvoerders van het ministerie van VWS confronteerde met kritische vragen, kreeg ze keer op keer een ontwijkend of helemaal geen antwoord. “Ik vroeg bijvoorbeeld waarom het veilig zou zijn om binnen 1,5 meter onbeschermd een coronapatiënt te verzorgen, zoals eerst in de richtlijn van het RIVM stond”, vertelt Holdert. “Waar was dat op gebaseerd? Er werd gedaan alsof ik een ‘nuisance’ was, alsof ik ze lastig aan het vallen was. ‘Het is hier heel druk’, hoorde ik dan, of: ‘we zijn bezig de zorg overeind te houden’. Ik bleef de boodschap krijgen dat ik irritante vragen stelde.” Resoluut: “Ik doe gewoon mijn werk. Zo hoort de vrije pers te functioneren in een democratische rechtsstaat. Maar ondertussen heeft het ministerie van VWS meer dan een jaar de wet niet gehandhaafd door alle WOB-verzoeken van journalisten op te schorten. Het argument was dat daar geen tijd voor was in een crisis, maar ook – of juist – in een crisis is het belangrijk om toegang te hebben tot informatie.”

Er was veel kritiek op journalisten het afgelopen jaar. De media waren te volgzaam, klonk het op social media. Journalisten stelden oppervlakkige vragen op de persconferenties, zeiden critici: maatregelen werden nauwelijks in twijfel getrokken, wel wilden journalisten graag weten wanneer het terras weer open mocht. Ook Holdert vindt de Nederlandse journalistiek vaak te autoriteitsgetrouw: “Al voor corona hadden we in Nederland een braaf interviewcultuurtje waarin veel journalisten een te volgende houding aannamen. In coronatijd werd die houding nog sterker. Dat zag je aan hoe Van Dissel werd benaderd: hij is een wetenschapper, dus hij zal het wel weten. Terwijl je een wetenschapper als Van Dissel, die in dienst is van het RIVM en dus een overheidsambtenaar is, net zo kritisch moet benaderen als Grapperhaus, die ook een PhD heeft maar tevens minister is en doorgaans wél gewoon stevig wordt aangepakt.”

Kritiek

Freelance wetenschapsjournalist Jop de Vrieze (38) vond het afgelopen jaar ook dat journalisten te mak waren. Hij schreef voor 2020 over allerlei onderwerpen die te maken hebben met ontwikkelingen in de medische wetenschap, maar werd al snel ‘in corona gezogen’, zoals hij het noemt. Aanleiding was een coronabesmetting in de crèche van zijn zoontje, eind februari 2020. De Vrieze en zijn vrouw wilden dat hun kind getest zou worden. Ze belden met de kinderopvang, de huisarts en de GGD, maar kregen overal nul op het rekest. “Het was een mix van chaos en onwil. Na drie dagen besefte ik dat de coronabestrijding allesbehalve een geoliede machine was. Vanaf dat moment stortte ik me helemaal in het onderwerp.”

Jop de Vrieze

Jop de Vrieze:
‘Vooral in de begintijd kreeg ik zelfs het etiket ‘paniekzaaier’ opgeplakt en het verwijt het gezag te ondermijnen’

En met succes: niet alleen Nieuwsuur schakelde De Vrieze in voor onderzoek, ook kreeg hij wekelijks twee pagina’s tot zijn beschikking in de Groene Amsterdammer. Onvermoeibaar wierp hij vragen op: waarom kiest Nederland zijn eigen strategie in de corona-aanpak? Wat kunnen we leren van Zuid-Korea? Hoe weten we of de vaccins veilig zijn? Ook kapittelde hij de testsamenleving: willen we straks virusvrije bubbels waar de elite kan feesten? 

Vooral in de begintijd, toen hij zich openlijk afvroeg of Nederland wel genoeg deed om Italiaanse toestanden te voorkomen, kreeg hij zelfs het etiket ‘paniekzaaier’ opgeplakt en het verwijt het gezag te ondermijnen. “Dat gebeurde toen ik de Groningse microbioloog Alex Friedrich interviewde. Terwijl na het zuiden ook het westen van Nederland de greep op het coronavirus begon te verliezen, lieten de noordelijke provincies het landelijke beleid los: daar begonnen ze ook buiten ziekenhuizen uit eigen beweging zorgmedewerkers te testen.” Het artikel van De Vrieze kreeg veel aandacht, maar hij kreeg ook kritiek van artsen die in crisistijd de gelederen wilden sluiten en niet zaten te wachten op uit de pas lopende collega’s. “Sommige artsen zijn nog erg gezagsgetrouw, gatekeepers die het niet gewend zijn dat gevestigde instituties aangevallen worden. Toch is het goed om ook experts aan het woord te laten die dit soort tegengeluiden laten horen.”

De Vrieze erkent dat het lastige onderwerpen zijn. “Een verhaal over allergische reacties op vaccins kan antivaxers in de kaart spelen. Dat realiseer ik me heel goed. Het zijn spannende afwegingen die je als journalist maakt. Maar je kunt zo’n onderwerp heel genuanceerd brengen, als je het maar goed uitlegt. Wat dat betreft heeft de overheid ook nog lessen te leren: als de minister zegt dat vaccins veilig zijn, ontkent hij impliciet dat er in zeer zeldzame gevallen mensen aan doodgaan. Je kunt er maar beter transparant over zijn.”