Onvolkomen debat

Flip Vuijsje
Flip Vuijsje studeerde politieke wetenschap en sociologie; was hoofdredacteur van onder meer Intermediair en Arts en Auto, en heeft zijn eigen bureau voor redactionele hulp bij zorgpublicaties (www.bureauflipvuijsje.nl). Lees alle artikelen van Flip Vuijsje

Ook ik volgde de discussie over de vrije artsenkeuze natuurlijk met aandacht. Vanwege de inhoudelijke kanten van deze zaak. Maar ook vanwege de manier waaróp dit debat wordt gevoerd. Namelijk: grotendeels van één kant. Artsen hebben luid, duidelijk en soms fel van zich doen spreken, via oude, nieuwe en sociale media. Voor verzekeraars geldt dit een stuk minder.

Dit laatste valt ook best te verklaren. Artsen zijn, meer dan verzekeraars, in een positie waarin ze zich over dit soort kwesties vrijuit en expressief kunnen uiten. Zelfs als artsen spreken uit naam van een organisatie, blijft steeds ook een persoonlijk aspect aanwezig. Ze zijn nu eenmaal zélf ook dokter, of dokter geweest; en spreken dus mede vanuit persoonlijke ervaring met, en persoonlijke betrokkenheid bij, de relatie arts-patiënt.

Dit geldt natuurlijk extra voor individuele artsen die op compleet persoonlijke titel van zich laten horen, bijvoorbeeld op LinkedIn of via tweets en retweets. Zij worden op geen enkele manier gehinderd door de noodzaak tot zekere tact en terughoudendheid in formulering waarmee je vanzelf te maken hebt als je namens een organisatie het woord voert.

‘Individuele zorgverzekeraars’ bestaan daarentegen niet. Het zijn dus altijd de organisaties die spreken: de (grote) partijen in de branche, en hun koepels. Degenen die dan het woord voeren, doen dit niet op persoonlijke titel, maar uitsluitend ‘uit hoofde van een functie’. En dit stelt stevige beperkingen aan de mate van uitgesprokenheid, directheid, ‘grote woorden’ en emotie die je in de polemiek kunt werpen.

Ook op puur institutioneel niveau verschijnen zorgverzekeraars en artsenorganisaties niet in gelijke startposities voor een debat. Namens artsen zijn het vooral verenigingen die van zich doen spreken, ‘clubs’ eigenlijk, met van zichzelf een soort van not-for-profit-imago dat een goede basis is om je te positioneren als behartigers van (mede) een publieke zaak, en mede een publiek belang. Verzekeraars daarentegen zijn bedrijven – en hiermee relatief gemakkelijk af te schilderen als vóór alles ‘gericht op winst’. En dan nog niet eens ‘zo maar bedrijven’, maar bedrijven die deel uitmaken van de ‘financiële sector’ – en dus op voorhand zwaar gewantrouwd door een segment van de burgerbevolking dat de afgelopen jaren sterk in omvang is gegroeid.

En de individuele verzekerde en patiënt? Voor die is de verzekeraar toch vooral die strenge inner van de maandelijkse premie; en de onverbiddelijke factureerder – en als het nodig is: aanmaner – als er weer eens uit eigen middelen moet worden bijgedragen. Terwijl je je arts toch eerst en vooral kent als degene die je, meestal tot tevredenheid, bij ziekte begeleidt, behandelt en vaak ook beter maakt. Dit laatste zonder dat hierbij de persoonlijke betrekkingen, en de emotionele beleving hiervan, worden belast door het banale gegeven van een ‘transactie’. Natuurlijk zal bijna iedereen best beseffen dat die dokter wel degelijk voor diens diensten worden betaald, voor een flink deel uit verzekeringspremies. Maar in de directe, persoonlijke relatie arts-patiënt is ‘geld’ lang niet het eerste waar je aan denkt; terwijl je in de relatie met je zorgverzekeraar, aan eigenlijk niets ánders denkt.

In de slag om een publieke opinie, zoals nu rond de vrije artsenkeuze, liggen verzekeraars dus, helemaal los van de merites van de te onderscheiden standpunten, op een ingebouwde achterstand. Die loop je niet in door hier en daar een doorwrocht opiniestuk in een kwaliteitsdagblad, of met een paar scherpe persberichten. Ook in het bereik van de sociale media blijken de mogelijkheden beperkt. ‘Grote’ namen uit de verzekeringsbranche waren de afgelopen weken op Twitter niet of nauwelijks te horen. Dit geldt niet de voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland, die bijna dagelijks zijn tweets de wereld instuurt; maar ook die gingen afgelopen periode meestal over andere zaken dan de vrijheid van artsenkeuze.

Als verzekeraars hun positie op dit front breed toegankelijk over het voetlicht willen brengen, zullen ze meer hun best moeten gaan doen, en ook nieuwe strategieën moeten bedenken. Punt is alleen: vinden ze dat wel nodig?

Aan het kortste eind trekken in de openbare meningsvorming betekent niet altijd vanzelf ook: aan het kortste eind trekken bij de feitelijke besluitvorming. Wat afgelopen donderdag tussen de regerings- en regeringsvriendelijke Tweede Kamerfracties is afgesproken, laat zich op meer dan één manier interpreteren. Maar duidelijk is al wel, dat zij die zich de afgelopen sterk maakten voor een onveranderd vrije artsenkeuze, grote bezwaren blijven houden.

En de zorgverzekeraars? Die zien waarschijnlijk opnieuw bevestigd dat het politieke momentum in Den Haag in primair hún richting blijft werken. En dat het daarom misschien ook niet nódig is om in een heel andere arena, namelijk die van de publieke menings- en imagovorming, intussen nog een strijd aan te gaan die je sowieso, ongeacht de merites van je eigen case, want zie de hierboven opgesomde factoren, eigenlijk niet kúnt winnen.

Dit is niet iets om blij mee te zijn. Onze samenleving heeft immers recht op een volwassen en evenwichtig debat over zoiets belangrijks als vrijheid van artsenkeuze, vrijheid van ziekenhuiskeuze, vrijheid van contractering, en vrijheid in vergoedingskeuze.

Maar afgesloten is deze kwestie natuurlijk nog lang niet, ook niet als dat jongste Haagse plan echt wettelijke werkelijkheid wordt. Want hoe ga je met zo’n nieuwe, nog weer veel complexer geworden stelselsituatie om? Met al die verschillende soorten polissen, en met selectieve contractering die nu misschien echt ménens gaat worden? Dit allemaal helder en overtuigend uitleggen aan al die miljoenen burgers van wie ze de belangen geacht worden te behartigen, wordt voor de Nederlandse zorgverzekeraars een ongekende uitdaging, waarvan nu nog niemand kan voorspellen of ze daartegen opgewassen zullen blijken.

 

3 Reacties Reageer zelf

  1. Jan Taco te Gussinkl
    Geplaatst op 9 juni 2014 om 10:40 | Permalink

    Interessante stellingname. Naar mijn mening zijn de consequenties van nog een 3e verzekeringspolis (minusvariant) nauwelijks te overzien. Spijt komt dan na de zonde…. Solidariteit wordt mogelijk verder ondergraven (maatschappelijk riskant) lijkt me.

    Ook verwacht ik -redelijk voorspelbaar- ongelukken bij te verregaande zorgconcentratie! Denk aan omissies bij multipathologie, overbrengen van ziekenhuisinfecties en vermoedelijk meer ongevallen (wegverkeer). Of er bezuinigingen optreden is nog maar de vraag. Kwaliteit??

    De keuzevrijheid in de 1e lijn is trouwens wel even wat anders dan in de 2e lijn (als het er om spant gaat het om specialistische zorg). Dat lijkt vergeten?

    Heel begrijpelijk dat de zorgverzekeraars wat achterover leunen.

    Luister nog eens terug naar Zorgdebat:
    http://www.vvaa.nl/nieuws/terugblik-op-zorgdebat-4-juni-tweets-en-links

  2. Vincent Guicherit Guicherit
    Geplaatst op 9 juni 2014 om 12:32 | Permalink

    Geacht politieke wetenschapper en socioloog,

    Hier richt zich een politiek-filosoof tot u, die toevallig ook arts is en ja, behorende tot het contingent dat zich helder en niet mis te verstaan heeft verzet tegen de machtsdifferentie tussen arts en verzekeraar.

    U zult wel begrijpen dat, ondanks de titel van uw stuk, geen sprake was van ‘debat’, maar van een dictaat, dat machiavellistisch-sofistisch via het ‘democratisch’ proces gelegitimeerd diende te worden. De comfortabele definitiemacht van verzekeraars ten opzicht van de arts met de rug tegen de muur, staat ver af van uw analyse dat verzekeraars een communicatie-achterstand zouden hebben. Met Machiavelli zeg ik u: macht wordt uitgeoefend, niet gecommuniceerd. Artsen moeten communiceren met de hoed in de hand. Verzekeraars hebben de politiek achter zich.

    Dat burgers begrip zouden kunnen opbrengen voor de perverse winstmaximalisatie op de premie en oppotten van geld, onttrokken en niet geherinvesteerd in de zorg, is niet met communicatie techniekjes te realiseren.

    Het gaat hier dan ook niet over kosten, maar over een disfunctionerend zorgstelsel.

  3. ANH Jansen
    Geplaatst op 10 juni 2014 om 19:36 | Permalink

    Schrappen van art 13 Zvw heeft vooral als doel om het grensoverschrijdend zorggebruik door Nederlandse verplicht verzekerden in te perken. Door de lange wachtlijsten en de gebrekkige zorginkoop door verzekeraars gaan sinds 2006 steeds meer Nederlanders de grens over om zorg in te kopen. Vorig jaar voor een bedrag van 800 miljoen euro. Extrapolerend naar 2014 en 2015 kom je al snel over de 1 miljard euro per jaar heen.

    Daar heb je dan ook de 1 miljard besparing van Minister Schippers te pakken. Zij denkt dat met schrappen van art 13 de hele grensoverschrijdende zorg kan worden gestopt. Zij bouwt als het ware een Hek om Nederland.

    Met schrappen van art 13 Zvw zijn verzekeraars niet langer verplicht gehoor te geven aan deze zorginkoop door verzekerden. Zij moeten niet langer de zorgkosten vergoeden die deze verzekerden in het buitenland gemaakt hebben. Planbare zorg. Zorgdebat BNR van maandag vorige week liet zo’n patient aan het woord. Hij dankte zijn leven aan art 13 Zvw.

    Dat de discussie nu is verengt of is geframed tot de vrijheid van artsenkeuze is jammer. Dan verval je al snel in de discussie of die beroepsgroep opkomt voor eigen belang of voor het belang van de patiënt. En je verliest het werkelijke doel uit het oog. De Minister heeft haar doel bereikt.

    Idem andere zorgaanbieders. De tijdelijke vrijstelling, gedoogregeling in feite, van de afschaffing van art 13 is geen oplossing. De LHV/KNMG laat zich van haar ergste kant zien door te stellen dat de Minister het maar bij de OMS en NVZ moet halen: daar is het geld. Van je collegae moet je het maar hebben.

    De Minister kon je horen lachen toen zij van deze reacties hoorde: wat een sukkels, het verdeel en heersspel werkt nog altijd.

    Er komt een Hek om Nederland als schrappen van art 13 werkelijk doorgang vindt en dat moet niemand willen. Ook de staatspatiëntenvereniging NPCF niet.

    Inperking van vrijheid van goederen, diensten en mensen is overigens strijdig met EU wet en regelgeving. Maar ja, daar heeft Nederland al vaker een broertje dood aan gehad. Moeten belanghebbenden zich maar melden bij het EU hof van Justitie te Luxemburg. De calculerende Overheid bestond eerder dan de calculerende burger.

    De Budgetpolis is in uitvoering onmogelijk; moet een zorgaanbieder houders van een dergelijke polis bewust minimale kwaliteit aanbieden in de wetenschap dat het beter kan en moet gezien de afgelegde Eed? In Natura de midden kwaliteit en de Restitutie Top? Wie gaat dat controleren? Hoe gaan verzekeraars de prijzen vaststellen? De kwaliteit? Wat is het ZiN dan nog van nut? Gaat dat Overheidsorgaan de kwaliteit per zorgpolis vaststellen? Transparant? Werkelijk van de zotte.

    Elementaire Ethiek wordt hier met voeten getreden.

    Of wordt de Budgetpolis een Roy Donders Polis? Sorry, het geld is op? Sorry. Ik kan u niet helpen. Sorry Polis?

    Gaat niet werken.

    En dan moet je helemaal niet gaan nadenken hoe de drie soorten polissen moeten worden verwerkt in de populatie bekostiging die er ook nog aankomt. De 5.500 man op het Ministerie van VWS en de 9,8% externe experts, in geld tov omzet VWS, weten van gekkigheid niet wat zij moeten bedenken. Samenhang in beleid is er in ieder geval niet. Van een stip op de horizon is geen sprake. Beleid is als vanouds het rondkrijgen van de jaarbegroting.

    En natuurlijk. De externe experts leven van het zo complex mogelijk maken van het zorgstelsel; zij maken de beleidsregels, zij stellen de wetswijzigingen op, zij adviseren de ambtenaren en vervolgens keren zij zich om en gaan voor vette rekeningen de zorgaanbieders en koepels adviseren hoe om te gaan met nieuwe regels en wetgeving, inclusief gedoogregelingen en vrijstellingen.

    Geen wonder dat de verzekeraars zich stil houden. Zij zijn zich bewust van hun uitvoerende taak en dat is wat anders dan de wetgevende taak van de Volksvertegenwoordiging. Zolang het geld maar hun kant op blijft komen weten zij wat zij moeten doen: met volle mond moet je niet spreken.

    E Schippers zei het bij KvdB zo: koffie is koffie. Daar is ook altijd gepraat over. Zo ook over polissen.

    En liet zich de Roy Donders Polis aanpraten en zette vervolgens een flinke pot Koffie Verkeerd op tafel: Willen de heren Knevel en vd Brink ook wat? Neen dank u, zei A Knevel. Ik hou het bij de echte koffie naar eigen smaak. Uw smaak is mijn smaak niet.

    Koffie is Koffie. Dan weet je toch genoeg?

    En dat weten de verzekeraars ook.