Literaire sporen in Bergen aan Zee

Al ruim vijftig jaar komt neerlandicus en schrijver Nico Keuning met enige regelmaat in Bergen aan Zee. Niet alleen is het – op enkele nieuwe, moderne villa’s na – een onaangetast vakantiedorp gebleven waar de natuur overheerst, de literatuur heeft het authentieke zeedorp de allure van een cultuurlandschap gegeven: ‘Noord-Hollands eigen parel’.

Tekst en beeld: Nico Keuning

Bergen in Noord-Holland heeft al meer dan honderdvijftig jaar de reputatie van een kunstenaarsdorp waar dichters, schrijvers en schilders wonen. Maar de inspiratiebron van literair proza en poëzie is Bergen aan Zee. De weg er naartoe heeft buitenlandse allure. De Zeeweg loopt, langs het beeld van Herman Gorter, slingerend, stijgend door het duinlandschap naar het hoogste punt waar achter de stammen van monumentale dennen ‘het licht van de zee je welkom heet’, om met schrijver Thomas Verbogt te spreken, die hier al twintig jaar een vakantiehuis heeft. 

Wie bij de rotonde rechtsaf slaat, de Elzenlaan in, belandt in een andere wereld. Zeker de wandelaar die halverwege aan de linkerkant het houten hek opent, dat toegang biedt tot de weidsheid van het Engelse Veld. Het is hier dat de ziel ‘van puur geluk hoog het zwerk in zwiept,’ zoals de in het nabijgelegen Alkmaar geboren en getogen Joost Zwagerman schrijft in de postuum verschenen bloemlezing Grote groet uit Zwagerland, Ode aan Noord-Holland door zijn bekendste schrijver (2018). ‘Een universum,’ aldus Zwagerman, ‘waar het Hollands waterblauw-wit van de wolkenlucht als een kosmosgrote donsdoek in ijle koestering boven het uitwaaierende helmgras hangt.’

‘Joost Zwagerman kende het zeedorp als zijn broekzak’

In het noorden, op de horizon aan de Ver- spyckweg, staat hoog en breed Het Zeehuis met links daarvan op enige afstand de roodoranje dakpannen van het koloniehuis waar Adriaan van Dis opgroeide, het ouderlijk huis in Indische duinen (1994): ‘Het dak was een boei in de duinen, rood en breed. Het klokhuis op de nok had zijn bel verloren, omgesmolten tot Duitse kogels. Als je erin klom zag je de zee en de watertank voor de stoomtram.’ Vanuit dit huis zag de jonge Adriaan de Amsterdamse bleekneusjes vanuit Het Zeehuis of het hoger gelegen Bio Vakantieoord (nu Huize Glory) langslopen naar zee: ‘Ze waren bleek en arm, de zee moest hun wangen een kleur geven.’

‘Lichtreuzen’

We volgen de weg via de C.F. Zeiler Boulevard naar de zee, die de prins der dichters Adriaan Roland Holst (1888 – 1976) inspireerde tot het schrijven van het meest bekende literaire werk dat aan deze plek is gewijd: Een winter aan zee (1937), dat begint met de regels ‘Eens liep zij hoog te spreken / langs de Noordzee; een dag / kermde er om aan te breken.’ 

Ook Herman Gorter (1864 – 1927) raakte hier in de ban van strand, zee en duinen, waar de voorjaarsdagen zich manifesteren als ‘lichtreuzen’ (Verzen, 1890) die ons de dagelijkse plichten doen vergeten. In dit verstilde domein wordt de burger dichter, overgeleverd aan wind, zon en verte. Ook in Mei (1889) laat Gorter de zee golven, schitteren, blikkeren, bruisen en breken.

‘Gorter laat de zee golven, schitteren, blikkeren, bruisen en breken’

Aan de Zeiler Boulevard 6B staat het vakantiehuis met balkon waar Johnny – The Selfkicker – van Doorn in februari 1969 zijn geest liet waaien. Een zonderlinge buurman voerde zijn fantasie naar de Tweede Wereldoorlog. Hier speelt het verhaal ‘Gevangenisdirecteur aan zee’ (Een magistrale stralende zon, Alle verhalen, 2001).

Vakantiebaantje

De charme van Bergen aan Zee schuilt in haar vrijwel tijdloze bescheidenheid en natuurlijkheid, ontsnapt aan de mayonaisecultuur. ‘Juist die glorieuze afwézigheid der Grote Dingen,’ schrijft Zwagerman, ‘draagt bij aan de reputatie van Bergen aan Zee als Noord-Hollandse eigen parel in de kroon.’ Sinds de stichting van het dorp in 1906 door Jacob en Marie van Reenen-Völter is er nauwelijks iets veranderd. Die onveranderlijkheid brengt jeugdherinneringen heel dichtbij.

Om die reden keerde Zwagerman telkens naar het zeedorp terug, dat hij kende als zijn broekzak. Zelfs een vakantiebaantje als vijftienjarige jongen in het ‘restaurant-met-snackbar’ aan het Van der Wijckplein beschrijft hij als een euforische herinnering.

Verder zuidwaarts, voorbij Strandhotel Nassau Bergen en het in een pan verscholen Parnassiapark, dienen de duinen zich weer aan. Dit is het werkterrein van de dichter Pieter Boskma (1956) uit Bergen. Zodra hij er binnenstapt, begint het kijken en denken. Een regel, een strofe, een gedicht, een cyclus. In Mensenhand (2012), verstrooit hij de as van zijn vrouw vanaf een duintop. Als hij ruim een jaar later over het Paadje van Praat wandelt (het ‘Padenpad’ in de bundel Zelf, 2014), verschijnt de schim van een jonge vrouw: ‘Toen zij al bijna bij de duinen was / draaide zij zich om en wees naar mij. / Ik denk dat ik op dat moment genas.’ Een profetisch voorval: de bundel is opgedragen aan ‘Anne en het ongekende’.

De literatuur heeft het zeedorp de allure van een cultuurlandschap gegeven. Grote kans dat de bezoeker die op een stille dag, of avond, op de boulevard het ‘eeuwige gemurmureer van Broeder Noordzee’ hoort, evenals Zwagerman, ‘de beste aller werelden’ in zichzelf ontdekt.