Balans van wonen, welzijn en zorg

Harry Wauters
Net gepensioneerd specialist Ouderengeneeskunde Harry Wauters (66) uit Geleen gaat al tien jaar als arts mee op reizen van de Zonnebloem. In dit blog leest u over de bootreis die hij maakt naar Antwerpen. Lees alle artikelen van Harry Wauters

Jonge artsen willen allemaal huisarts of kinderarts worden. Zo niet, dan kiezen ze voor een spectaculair ziekenhuis-specialisme. Basisartsen hebben de laatste jaren misschien iets meer belangstelling voor ouderengeneeskunde. Marktwerking noemen ze dat, want er lopen toch de nodige jonge ziekenhuis-specialisten zonder baan rond. Dat geeft hen te denken en drijft enkelen in onze richting. Het specialisme ouderengeneeskunde blijft voortdurend hoog genoteerd staan op de vacaturelijst. Dus het moet anders en beter. De universiteiten krijgen het maar niet spits in hun opleidingen, dat het leeuwendeel van de gezondheidszorg zich in de ouderenzorg afspeelt. Nog steeds is het op de medische faculteiten geen gemeengoed, dat er natuurlijk een coschap Ouderengeneeskunde gevolgd dient te worden. Reanimeertechnieken worden belangrijker gevonden dan stage in de ouderengeneeskunde. De kwantiteit van leven staat nog steeds boven de kwaliteit ervan. Maar bij de Zonnebloem gaat het bij uitstek juist over de kwaliteit van het leven.

Ik beken: ik was vroeger niet anders dan de huidige generatie. Tijdens mijn eigen huisartsenopleiding  wilde ik niet eens stage lopen in een verpleeghuis. Ik wilde ook nog eerst naar de tropen, dus koos ik voor een stage gynaecologie en verloskunde. Pas na mijn huisartsenopleiding en drie jaren in een Ghanees missieziekenhuis, na ook nog enkele jaren poortarts en vier jaar dokteren en managen in een psychiatrisch ziekenhuis, toen pas viel bij mij het kwartje echt. Ik was in tien jaar meer manager dan dokter geworden en dreigde weg te groeien van mijn ideaal: een kruising tussen Albert Schweitzer en Baden Powel. Romantische flauwekul zult u misschien denken? Kan me geen worst schelen.

Na tien jaar rondkijken in gezondheidsland koos ik toch voor het verpleeghuis. In de advertentie, waar ik op hapte stond: ‘huisartsenopleiding strekt tot aanbeveling.’ Dat bracht mij in het verpleeghuis. Zo ging dat vroeger. Pas sinds 1990 is er een opleiding en register voor verpleeghuisartsen. Later is dat omgevormd tot het huidige specialisme ouderengeneeskunde, een heerlijk vak! In het verpleeg- en verzorgingshuizen voel ik me als een vis in het water. Daar heb ik steeds meer beseft, dat het veel meer om de kwaliteit van leven gaat, dan om de lengte ervan.

Je snapt, dat ik me ook aan boord van de Zonnebloem goed thuis voel. En ja, ik heb veel oneigenlijke dingen gedaan als arts. Eén van de eerste dingen was Sinterklaas spelen en daarna meedoen aan de carnaval. Ik ben met mijn patiënten naar een concert van Rieu geweest op het Vrijthof; Ik heb flensjes gebakken op de afdeling. Ik heb mee gedaan aan play-back revues. (Morgen mag ik weer tijdens de Limburgse avond aan boord van de Zonnebloem.) We maken veel lol in het verpleeg- en in de verzorgingshuizen. En natuurlijk doe ik ook mijn medisch werk graag en ook zo goed mogelijk.

Mede door mijn oneigenlijke activiteiten kreeg ik een prima band met patiënten en verpleging. Ik blijf de mensen, waar ik voor zorg ‘patiënten’ noemen en krijg het door managers zo geliefde ‘cliënten’ maar niet door mijn strot. Uiteindelijk komt iemand zonder een stevige reeks diagnoses met de nodige restverschijnselen niet binnen in een verpleeghuis. Je moet een hoge ZZP hebben voor opname in een verpleeghuis. En die mensen zijn verschrikkelijk afhankelijk van ons. Er valt voor hen niks te kiezen. Het is dringen aan de voordeur van het verpleeghuis om erin te komen, zeker nu de verzorgingshuizen helaas in een rap tempo gesloten worden. Je kunt niet naar een andere supermarkt lopen, als de dokter je niet bevalt. Dus niks te ‘cliënten’: gewoon ‘patiënten’!

En wanneer je als arts gedragsproblemen wilt begrijpen, dan zal je toch echt eerst goed moeten uitzoeken welke somatische problemen daaronder liggen. Wij zijn meesters in het in kaart brengen van die verbanden. En voortdurend moeten we met onze patiënten overleggen en met collega’s elders de discussie aangaan over wat wel en niet meer zinvol en/of haalbaar is. En niet: ‘op mijn terrein geen afwijking’ en hup over de schutting. Dat doen we in de ouderengeneeskunde niet. Wij blijven met onze patiënten de best mogelijke oplossing zoeken. Wonen en welzijn zijn belangrijk, maar de behandelcomponent van de zorg blijft voor mij toch leading. En als je iets niet wilt, dan hoeft je nog niet alles te laten. De cure en care dienen elkaar aan te vullen waar mogelijk en nodig is en mogen niet met elkaar vechten.

Laat mij dan nu maar in mijn oneigenlijke artsen-rol als buddy achter een rolstoel van één van onze gasten langs de Schelde en over de kinderkopjes van Antwerpen hobbelen tijdens deze Zonnebloemvakantie. Ik moest aan Parijs–Roubaix denken bij de zoveelste ‘kasseien-strook’ , maar dit is wel – ondanks het gehobbel – kwaliteit van leven, denk ik. We hebben allebei genoten van Rubens in de kathedraal en hebben samen een kaars opgestoken in de Mariakapel.

Toen we over de treeplank weer terug aan boord kwamen, zag ik het AED-apparaat hangen naast de ingang. In mijn verhaal gisteren had ik het er al over. Daarom toch nog even deze take-home-message voor jullie: In mijn beurs zit mijn DNR verklaring. Als ik met een ademstilstand op de grond lig: laat mij a.u.b. liggen. Ik wil niet, dat door jouw reanimeren mij de mooiste vorm van sterven ontnomen wordt.