De positieve kant

Flip Vuijsje
Flip Vuijsje studeerde politieke wetenschap en sociologie; was hoofdredacteur van onder meer Intermediair en Arts en Auto, en heeft zijn eigen bureau voor redactionele hulp bij zorgpublicaties (www.bureauflipvuijsje.nl). Lees alle artikelen van Flip Vuijsje

Afgelopen week maakte Oliver Sacks bekend dat hij niet lang meer te leven heeft. Hij deed dit in een kort artikel in The New York Times, waarin hij schrijft dat bij hem leverkanker is vastgesteld.

Sacks is intussen 81, en zal hoe dan ook de geschiedenis ingaan als een bijzonder mens én een bijzonder arts, vooral door de mooie boeken die hij schreef over de uitoefening van zijn eigen vak. Iemand dus om te bewonderen, en dit brengt mij meteen naar iets anders, ook recent in de media. In de Verenigde Staten is via een Gallup-onderzoek gevraagd welke nog levende personen het meest worden bewonderd. En het gaat mij hier nu niet om de uitslag van die enquête als zodanig; maar om het commentaar hierop van professor Tyler Cowen, en op diens eigen antwoord op die vraag.

Het is niet de eerste keer (en vast ook niet de laatste) dat ik aandacht vraag voor de ideeën van deze door mij bewonderde econoom en blogger. Zijn eigen criterium voor ‘wie te bewonderen?’, omschrijft Cowen als “de mate waarin iemand offers heeft gebracht.” En dus niet ‘behaald succes’ als bijvoorbeeld kunstenaar, wetenschapper, politicus of ondernemer.

Cowen noemt vier categorieën personen die wat hem betreft voor mega-bewondering in aanmerking komen, en wat opvalt is het hoge gehalte zorgverleners. Zoals “public health professionals” die zich, “under great hardship in difficult places”, jarenlang inzetten tegen de verspreiding van malaria of ebola, en die hierbij zelf vaak grote gezondheidsrisico’s lopen. En: “At a smaller scale, how about individuals who volunteer to work in the burn unit at the hospital?”

Dit geeft behoorlijk te denken. Zelf lees ik graag biografieën over ‘creatieve groten’ die ik bewonder, vooral in rockmuziek en beeldende kunst. Maar hoe zit het met biografieën van artsen, en van anderen in de wereld en de geschiedenis van de gezondheidszorg, die het predicaat ‘groot’ verdienen? Wordt het geen tijd om híervan eens een goeie top-10 lijst op te stellen? (Tips welkom.)

Maar er wordt niet alleen geschreven óver bijzondere mensen uit het medische, maar ook door sommige van die bijzondere mensen zelf. Denk aan bekende namen als Oliver Sacks en Atul Gawande, maar ook aan een wat minder bekend iemand als de Britse hersenchirurg Henry Marsh. En zo zijn er meer inspirerende voorbeelden, maar je kunt nog een stap verder gaan ook. Want ook wie zelf niet beroemd is, of dit wil worden, kan vanuit een meer doorsnee medische-beroepsbeleving waardevolle zaken naar buiten brengen, via het geschreven woord.

Heel interessant is dit bericht op de Amerikaanse weblog MDigitalLife, over de openbare berichtgeving over de mazelenepidemie die begin vorige maand uitbrak vanuit Disneyland. Want de eerste uiting waarin dit werd gesignaleerd, en die uiteindelijk een grote golf van publiciteit op gang bracht, was een tweet door een dokter uit San Diego.

Volgens MDigitalLife is dit geen incident maar een trend: dat het niet journalisten zijn die als eersten met belangrijk medisch nieuws naar buiten komen, maar – dank zij de mogelijkheden van sociale media – medische professionals zelf. En hier komt nog iets bij: dat nu ook medische professionals de middelen hebben om traditionele, dus: journalistieke, berichtgeving direct en effectief te corrigeren. Bijvoorbeeld als de media, denk vooral aan de televisie, zich weer eens laten misbruiken voor het respectabel maken van kwakzalverij.

Maar ook vanuit de beroepspraktijk van alledag, dus zonder extreme gebeurtenissen of situaties, kan veel waardevols worden geschreven en gepubliceerd. Wel is het dan oppassen met herkenbaar schrijven over individuele patiënten, maar er zijn best manieren om dit te omzeilen, bijvoorbeeld door consequent en consciëntieus te ‘fictionaliseren’ (zoals hier bepleit, Should Doctors Write About Patients?, in het Amerikaanse maandblad The Atlantic.)

Waarmee ik uiteindelijk dit wil zeggen: het afgelopen jaar is in Nederland niet alleen veel geschreven óver onze gezondheidszorg, maar ook door mensen die zelf werken ín die zorg. Vaak waren dit negatieve getoonzette geluiden. Uit onvrede over een heleboel verschillende zaken, vooral natuurlijk de artikel 13-kwestie; en niet altijd onterecht of onzinnig. Maar je zou intussen gaan vergeten dat schrijven niet alléén maar klagen hoeft te zijn. Dat daarnaast nog zo veel meer te zeggen valt, vanuit de eigen professionele kennis en ervaring. En dat dit ook echt niet steeds hoeft te gebeuren vanuit een specifiek (en soms ook: eigen) materieel belang.

Daarom tot slot dit citaat van Oliver Sacks, uit The New York Times van afgelopen donderdag: “I cannot pretend I am without fear. But my predominant feeling is one of gratitude. I have loved and been loved. I have been given much, and I have given something in return.”