Goud met dank aan de dokter

Ze staan niet op het podium en zelden voor de camera. Ze doen hun werk op de achtergrond, maar dat zorgprofessionals van onschatbare waarde zijn voor topsporters, blijkt wel uit deze verhalen. “Ik weet dat hij gewoon zijn werk doet, maar ik ben hem eeuwig dankbaar.”

Tekst: Martijn Reinink
Marc Lammers juicht tijdens de Olympische Spelen in Peking als de dames de finale winnen van China. foto: René Bouman

De Sinterklaas-stick, de videobril en ‘lammeren’ – de inlooptactiek om de keeper bij een strafcorner het zicht te ontnemen. Het zijn vernieuwingen die Marc Lammers (49) in het hockey heeft geïntroduceerd. De coach staat te boek als vooruitstrevend, ook als het gaat om de begeleiding rond een team. Na zijn aantreden in 2000 als bondscoach van de Nederlandse hockeydames breidt hij de bestaande medische staf uit, onder andere met een diëtiste. “In die tijd werd er slecht gegeten en gedronken; er was helemaal geen aandacht voor leefstijl. Zeg je daar als trainer iets van, dan is de reactie: heb jij ook al verstand van voeding? Maar haal je er een specialist bij die aantoont wat het effect van voeding is, dan creëer je bewustwording. Die sportdiëtiste heeft echt iets veranderd bij de speelsters.” Ook haalt Lammers er een sportpsycholoog bij. “Als je met iets nieuws komt, dan moet je weerstand overwinnen. Dat was in dit geval zeker zo. Mental coaching was nog taboe. Bestuur en sponsors zeiden: daar ben jij toch voor? Nee, ik heb verstand van hockey, niet van psychologie.”

Lammers is nog altijd blij dat hij destijds zijn poot stijf heeft gehouden. “Als we in de eerste jaren verloren, klaagden we over tegenstanders die vals speelden, de scheidsrechter of het veld. De sportpsycholoog hield ons een spiegel voor: focus alleen op datgene waar je invloed op hebt.” Ook tijdens toernooien, zoals de Olympische Spelen in 2008 in Peking waar Oranje goud wint, is de psycholoog van waarde. “Bij toernooien nam ik alleen specialisten mee op terreinen waar nog rendement was te halen. De diëtiste en inspanningsfysioloog bleven thuis, qua voeding en conditie was het werk gedaan, maar qua mindset kun je nog wel heel veel doen tussen wedstrijden.”

Jiske Griffioen wint goud tijdens de Paralympische Spelen in Rio de Janeiro in 2016.  Foto: Mathilde Dusol

Rolstoeltennisser Jiske Griffioen (33), geboren met spina bifida met lage uitval, kan zich niet heugen dat er in de tenniswereld een taboe rustte op mentale begeleiding. In 2003 maakt ze haar debuut op een internationaal toernooi. In 2017 speelt ze haar laatste. In de tussenliggende periode is Griffioen twee jaar lang de nummer 1 van de wereld. Ze wint zeventien grandslamtitels in het enkel- en dubbelspel en vijf paralympische medailles, waaronder twee gouden plakken in Rio de Janeiro in 2016. “Gedurende mijn carrière ben ik regelmatig bij een sportpsycholoog geweest. Dat hielp me om te focussen, om te beseffen waar ik mee bezig was en om te gaan met de druk. Ja, ik heb daar heel veel aan gehad.”

Judoka Kim Polling (27), viervoudig Europees kampioen in de klasse tot 70 kilogram, bezoekt geen sportpsycholoog. Wel is ze onder behandeling van een psychiater, al vanaf haar derde, vanwege ADHD. Van de Dopingautoriteit moet een psychiater elk jaar bevestigen dat ze medicatie nodig heeft. Jarenlang heeft de judoka een ‘heel prettige psychiater’ in Haarlem gehad, maar als het op het WK in 2014 ‘helemaal misgaat’, is haar psychiater net geëmigreerd. Via NOC*NSF komt ze bij psychiater Dirk Steenssens terecht. “Mijn vertrouwen was weg. Ik durfde de mat niet meer op. En dat werd na dat WK alleen maar erger. Op een bepaald moment was ik zelfs bang om naar buiten te gaan. Dankzij de therapie van Dirk gaat het nu weer helemaal goed. Ik weet dat hij gewoon zijn werk doet, maar ik ben hem eeuwig dankbaar.”

Meer dan alleen dokter

Polling woont in Italië, met haar vriend, topjudoka Andrea Regis. In aanloop naar een titeltoernooi komt ze naar Nederland. Dan traint ze 1,5 tot 2 maanden in Sportcentrum Papendal, sinds 2016 de thuisbasis van de judobond. “Mijn vaste fysiotherapeut, Cynthia Bos, ging destijds mee naar Papendal. Arnold Brons, de sportarts die mij al vanaf mijn vijftiende begeleidt, niet. Maar in overleg is hij wel mijn arts gebleven. Arnold kent mij door en door. Hij is meer dan alleen mijn dokter.” Dat blijkt afgelopen november wel tijdens The Hague Grand Prix. “Judoën in eigen land vind ik altijd heel spannend. Dan leg ik mezelf extra druk op. Voor eigen publiek wil ik mijn beste judo laten zien. Als de spanning me te veel wordt, zoals vorig jaar in Den Haag, dan huil ik uit op Arnolds schouder. Hij praat tegen me en geeft me vertrouwen en dan is het weer goed.” Polling wint goud tijdens die Grand Prix. “Vertrouwen tussen dokter en topsporter is het allerbelangrijkste.”

Kim Polling wint goud tijdens The Hague Grand Prix in 2017. Foto: Sander Chamid.

Griffioen beaamt dat. “Ik heb gelukkig niet veel zware blessures gehad, maar ik kan me wel een polsblessure herinneren. Er kwam een grandslam aan, met nog een paar weken te gaan. Mijn vaste fysiotherapeut Annelies van As stippelde een revalidatietraject uit; precies bij de start van het toernooi zou ik er klaar voor zijn. Dan moet je iemand volledig vertrouwen.” De regerend paralympisch kampioen heeft door de jaren heen meerdere fysiotherapeuten gehad, maar als ze via de tennisbond bij Van As belandt, weet ze direct: bij haar wil ik blijven. “Op persoonlijk vlak hadden we een klik en de wijze van behandelen sprak me aan. Ze hield alles in de gaten, ook als ik nog geen klachten had. De rest van mijn carrière is ze mijn fysiotherapeut gebleven.”

Wat beide sportvrouwen ook belangrijk vinden bij zorgprofessionals is dat ze topsport begrijpen. “Dat ze weten dat je zoveel dagen training nodig hebt”, zegt Griffioen. “Ik heb bondsarts Babette Pluim heel vaak geraadpleegd. Bij blessures, maar ook bij griepverschijnselen. Ga je naar de huisarts, dan is het advies: doe het rustig aan, neem de tijd. Een dokter die topsport begrijpt, zal iets meer op het randje zitten van wat kan.”

Dat is ook de reden dat Polling graag naar Gino Kerkhoffs gaat. Hij is orthopeed in het AMC. “Hij snapt de belangen en doet altijd alles om me weer snel op de mat te krijgen. Is dat niet haalbaar, dan is hij ook eerlijk. Een tijdje geleden scheurde ik twee bandjes in mijn voet in, ik dacht: met tape kan ik wel judoën. Maar Gino gaf aan dat dat zeer onverstandig zou zijn. Omdat ik weet dat hij dat alleen zegt als het écht niet kan, kan ik me daarbij neerleggen.”

Digitale mogelijkheden

Van het judo terug naar het hockey. Na het olympisch goud in 2008 stopt Marc Lammers bij de Oranjedames. Tussen 2012 en 2014 is hij bondscoach van de Belgische hockeymannen. “Met de jaren zijn de digitale mogelijkheden natuurlijk enorm toegenomen. Vroeger gingen we vooral af op gevoel: die speler oogt moe. Nu konden we hartslagen en sprintsnelheden meten, en daar een formule op loslaten. Dan wéét je of iemand moe is. Ik bepaalde niet langer wie ik wisselde, dat deed de iPad. Ik zat met een tablet op de bank en als een speler bijna zijn limiet had bereikt, knipperde er een rood lampje. Dan wisselde ik. Sprong het lampje op groen, dan kon hij het veld weer in.”

Met studenten van de KU Leuven ontwikkelt Lammers op preventie gerichte apps. “Spelers moesten bijvoorbeeld op hun telefoon elke ochtend vier vragen met een cijfer beantwoorden. Zoals: hoe voel je je vandaag op sociaal vlak, lig je lekker in de groep? Een speler die de dag ervoor een blunder heeft gemaakt en zich schuldig voelt, geeft misschien een 3. Dan krijgt de sportpsycholoog bericht. Geeft een speler zichzelf een 4 voor zijn fysieke toestand, omdat hij toch wat last heeft van zijn knie en slecht heeft geslapen, dan gaat er een rood lampje branden bij de dokter. Deze app wordt nu ook door Belgische ziekenhuizen gebruikt, in de weken nadat een patiënt is ontslagen uit het ziekenhuis.”

Als bondscoach van onze zuiderburen heeft Lammers er veel profijt van. “In België had ik 30 procent minder blessures dan in de jaren ervoor en 32 procent minder blessures dan de concurrentie. Je kunt dit niet een op een vertalen naar de zorg, maar het laat wel zien dat je door relatief eenvoudige vormen van preventie blessures, en mogelijk ook ziekenhuisopnames, kunt voorkomen.”