Leven in steen gehouwen

kunst / Henry Moore-retrospectief in Beelden aan Zee

Henry Moore geldt als een van de grootste vernieuwers van de 20e-eeuwse beeldhouwkunst. Hij liet zich niet alleen inspireren door takken en stenen, maar ook door het menselijk lichaam.

De moeder van Henry Moore (1898-1986) had artritis en vroeg haar jonge zoon regelmatig haar rug te masseren. Volgens de conservator van Museum Beelden aan Zee, dat deze maanden een Moore-retrospectief presenteert, was dit waarschijnlijk zijn eerste ‘sculpturale ervaring’. Ter ondersteuning van die theorie wijst hij een relatief klein beeldje aan van een vrouw met omhoog gestrekte armen. De conservator heeft het kunstwerk in handen gehad – met handschoenen uiteraard – en vertelt dat hij onder de indruk was van hoe levensecht de achterkant aanvoelde. Onder het steen voelde hij de spieren, ribben en ruggengraat.

Naast de vitrine met de naturalistisch vormgegeven vrouw staat een kubistische kop die Moore amper tien jaar later maakte. Het gezicht is hoekig en plat, met ogen, neus en mond gereduceerd tot cirkels en strepen. Daar weer naast, uit ruwweg dezelfde periode, bevindt zich Stringed Figure: Bowl (1938), dat oogt als een schelp die met draden is dichtgenaaid maar weer deels is open­gesprongen, als een slecht gehechte wond die maar niet wil helen.

Deze drie totaal verschillende beelden laten zien dat Moore in het interbellum volop aan het experimenteren was en nog niet zijn eigen draai gevonden had. Als veteraan uit de Eerste Wereldoorlog had hij een beurs gekregen om aan de Leeds School of Arts te studeren en later aan het Royal College of Art in Londen.

Daar voerde toen nog de klassiek romantische stijl uit de Victoriaanse tijd de boventoon. Moore voelde zich er ongemakkelijk bij en ging op zoek naar alternatieven, die hij onder meer vond op de etnografica-afdeling van het British Museum. Vooral de vereenvou­digde maar krachtige vormen van pre-Colombiaanse sculpturen maakten diepe indruk op hem. Maar ondertussen keek hij ook naar wat er in Parijs gebeurde, wat pioniers als Constantin Brancusi en Jean Arp deden.

Onhandige houdingen

Eind jaren 30 begonnen al die invloeden te stollen tot iets eigens. Het beslissende zetje werd gegeven door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Blitz, toen de Duitse luchtmacht onophoudelijk bommen liet regenen op de Britse hoofdstad, bracht Moore veel tijd door in de metrostations die dienst deden als schuilkelder. Om de tijd te verdrijven tekende hij zijn lotgenoten. Met houtskool vereeuwigde hij de angstige en vermoeide Londenaren als ze probeerden tussen de luchtalarmen door een uurtje slaap te pakken. Ze lagen erbij in onhandige houdingen, leunend op hun elleboog zodat ze bij het minste geringste rechtop stonden, klaar om te vluchten.

Het liggende figuur groeide in die tijd uit tot het ultieme Moore-thema, waar hij de rest van zijn leven naar terugkeerde. Door de jaren heen werd het figuur wel steeds abstracter, met een vorm zo vloeiend als een Barbapapa. Maar zelfs als de verhoudingen op de spits worden gedreven en de open ruimte onder een opgetrokken been neigt naar een grot in een geologische aberratie, is er nog altijd die spanning in te herkennen van een lichaam in rust, bijna versmolten met de aarde, dat zich ieder moment kan oprichten.

Vlak na de oorlog werd Moores eerste en enige kind geboren. Het meisje werd vernoemd naar zijn moeder Mary, die twee jaar eerder was overleden. Nooit meer zou hij haar rug masseren. De combinatie van dood en geboorte, rouw en vreugde, verwerkte de beeldhouwer door vanaf dat moment een schier eindeloze reeks ‘moeder met kind’-beelden te maken.

Organisch rariteitenkabinet

Een flink aantal van die beelden staat nu in de velden rond Perry Green, een gehucht op 20 minuten rijden van de luchthaven Stansted. Hier betrokken Moore en zijn vrouw Irina aan het begin van de oorlog een boerderij nadat zijn woning en atelier in Londen waren gebombardeerd. Het gebouw, inclusief bijgebouwen en een groot deel van het omliggende land, wordt tegenwoordig beheerd door een stichting en is publiek toegankelijk. Een wandeling door het gebied maakt invoelbaar welke invloed de verhuizing op de beeldhouwer moet hebben gehad.

Beeld: John Hedgecoe, Henry Moore Foundation | Henry Moore aan het werk in zijn studio, ca. 1968

Moore zwierf dagelijks urenlang door de heuvels en stopte regelmatig om een takje, bijzondere steen of typisch gevormd vogelbotje op te rapen. Hij nam zijn vondsten mee naar het atelier, waar ze terecht kwamen tussen een olifantenschedel die hij van een bevriend zoöloog had gekregen en stukken drijfhout. Dit organische rariteitenkabinet, waar Museum Beelden aan Zee een knappe imitatie van heeft opgebouwd, vormde een belangrijke inspiratiebron.

Tentoonstelling

Henry Moore: Vorm en Materiaal. Tot en met 22 oktober 2023 in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Prijzen/tickets/openingstijden: zie beeldenaanzee.nl.

Zo stond het vuursteentje dat in een handpalm past model voor Three Way Piece No. 1: Points, het manshoge, 1.200 kg zware gevaarte dat rustig de blikvanger van de tentoonstelling genoemd mag worden. Het zou een ruggenwervel kunnen zijn van een mysterieus, uitgestorven beest. Misschien zelfs een kies – maar dan hebben we het over een monster van King Kong-formaat. De kolos is op zich al indrukwekkend, maar ziet er ook nog eens vanuit elke hoek anders uit. Op de huid zijn parallelle krassen te zien – het zouden slijtagesporen kunnen zijn van het kauwen. Of primitieve ‘tekeningen’ van prehistorische holbewoners.

Three way Peace No. 1: Points 1964-65 (LH 533) plaster. Courtesy of the Henry Moore Foundation

Moore bracht die imperfecties met opzet aan. Ze waren onderdeel van het zogenaamde ‘direct carving’, waarin hij pionierde. In plaats van eerst te schetsen, ging hij meteen met beitel en hamer aan de slag. Hij liet zich daarbij leiden door de aard van het materiaal, waarbij hij het klassieke marmer links liet liggen en koos voor travertijn en kalksteen – steensoorten die toen vooral in de bouw werden gebruikt. Later werkte hij in beton en zelfs plexiglas. Met het laatstgenoemde materiaal maakte hij onder andere Working Model for Reclining Figure, een liggend figuur in een soort cocon die op een baarmoeder lijkt. Hier komen Moore’s twee hoofdthema’s samen: ‘liggende figuur’ en ‘moeder en kind’.

Beeld Reclining Figure 1985 (LH 192a) bronze | Beeld: Michael Phipps, The Henry Moore Foundation Archive | Reclining Figure 1985 (LH 192a) bronze

Zoals vaker vormde dit relatief bescheiden beeld de opmaat voor een grotere versie. Maar Moore wist als geen ander dat je een volume niet zomaar kunt opblazen. De monumentale kracht waar hij in zijn werk altijd naar streefde, hangt af van verhoudingen en schaal. In het geval van Working Model werkte de vergroting niet, dus ontkoppelde hij de twee vormen. Naast een liggend figuur bleef een soort huls over.

Zijn oeuvre overziend, is die vorm – een ‘lege huls’ – de derde thematisch rode draad in Moores werk. Wat hij zelf ‘Interior/Exterior Forms’ noemde, is in Scheveningen te zien in de vorm van Spartaanse helmen en iets wat lijkt op een gehalveerde walnoot op reuzen­formaat. Het oog glijdt over de buitenkant, maar wordt vervolgens naar binnen getrokken. Het inwendige dat bij de vrouw met opgeheven armen nog impliciet was, alleen voelbaar voor de palperende handen van de conservator, is hier voor iedereen zichtbaar.

Delen