Openheid

Annemarie Smilde
Annemarie Smilde is senior jurist gezondheidsrecht/teammanager bij VvAA rechtsbijstand. Lees alle artikelen van Annemarie Smilde

Iedere arts zegt dat hij zich open en toetsbaar zal opstellen als hij de eed aflegt. Ik twijfel er niet aan dat artsen dit vol overtuiging zeggen en willen waarmaken in de praktijk. Maar als artsen betrokken zijn bij een medisch incident of zelfs een calamiteit, dan ervaren ze belemmeringen om open te zijn tegenover de patiënt of de nabestaanden. Dat kan te maken hebben met de eigen verwerking van het medisch incident of de onzekerheid hoe een gesprek aan te gaan. Maar ook angst voor tuchtrechtelijke gevolgen kan hierbij een rol spelen.

De praktijk wijst uit dat openheid naar patiënten en nabestaanden de kans op een tuchtklacht juist beperkt. De reden om een klacht in te dienen is vaak niet het medische incident zelf maar de gebrekkige of soms te late communicatie: een patiënt heeft zelf om een gesprek moeten vragen, mist de erkenning, vindt de arts defensief of heeft het gevoel dat hij informatie achterhoudt.

Het komt voor dat ondanks open gesprekken toch een tuchtklacht volgt. Artsen vragen zich dan af of een patiënt niet alles wat in alle eerlijkheid en vanuit (professionele) betrokkenheid is gezegd tegen hen kan gebruiken. Wat de reconstructie van de feiten rondom het medische incident en de beoordeling van de verwijtbaarheid van de arts betreft, zijn voor de tuchtcolleges de gesprekken met de patiënt meestal niet relevant. Als een arts bijvoorbeeld in een gesprek zijn excuses heeft aangeboden of heeft gezegd dat hij het achteraf gezien niet goed heeft gedaan of een inschattingsfout heeft gemaakt, zal een tuchtcollege niet enkel op basis hiervan aannemen dat de arts verwijtbaar heeft gehandeld.

Veel artsen ervaren procedure rond tuchtklacht als zware last

Wel zijn de gesprekken met de patiënt van belang voor de beoordeling van de toetsbaarheid en de professionele communicatie van een arts. Ofwel, heeft de arts zich gedragen zoals van hem mag worden verwacht na een medisch incident: heeft hij de patiënt geïnformeerd over het incident, nazorg verleend, onderzoek naar het incident in gang gezet, maatregelen voor de toekomst getroffen en natuurlijk medeleven getoond en – in geval van een fout – excuses aangeboden?

De communicatie na een incident en de openheid in het onderzoek naar een incident weegt het tuchtcollege mee in zijn beslissing, ook als er geen klacht is ingediend over de communicatie. Dit komt bij gegronde klachten vaak tot uitdrukking in de motivering van de zwaarte van de opgelegde maatregel.

Transparantie over een medisch incident beperkt dus het risico op een klacht en schaadt de positie van een arts niet. Dit neemt de angst voor een klacht echter maar voor een deel weg. Veel artsen ervaren een tuchtprocedure als een zware last, alsof ze voor het tribunaal moeten verschijnen. Een maatregel, zelfs een waarschuwing, voelt als een straf. Dit geldt nog meer voor een berisping, die openbaar wordt gemaakt. Daarnaast kan aandacht van de media een schandpaaleffect hebben, ook in zaken waarin de klacht uiteindelijk ongegrond wordt verklaard. Berichtgeving in de krant over een openbare zitting is niet altijd neutraal. Een arts kan hiertegen vaak niets ondernemen vanwege het beroepsgeheim en de persvrijheid.

Ondersteuning aan artsen bij communicatie over een incident is van groot belang, bijvoorbeeld door een coach, jurist en/of een collega (peer support). Daarnaast moeten artsen gedurende een procedure bij het tuchtcollege naast juridische hulp ook kunnen rekenen op steun van collega’s, de werkgever of het ziekenhuis als ook op begeleiding vanwege de emotionele impact. VvAA denkt na over de bijdrage die zij hieraan kan leveren, al dan niet in samenwerking met anderen partijen.