Aandacht voor echtgenote

De heer K. heeft een afspraak op de geriatrische dagkliniek in verband met geheugenproblemen. Aan mij de schone taak om te kijken of er sprake is van dementie. Zelf heeft hij geen klachten, zijn vrouw juist des te meer. Op zich is dat niet opmerkelijk. De gemiddelde Alzheimerpatiënt is zich immers niet bewust van zijn falende geheugen. Wat je vergeet, dat weet je niet meer. (Wat overigens niet voor ieder dementieel syndroom geldt, maar dat is weer een ander verhaal.)

Tijdens de hetero-anamnese, waarbij ik zijn echtgenote apart spreek, wordt al snel duidelijk dat er het één en ander mis gaat. “Hij kijkt op zijn horloge, maar noemt de verkeerde tijd”, legt ze uit. “In de auto wijs ik de weg, maar dan rijdt hij alsnog de verkeerde kant op.” Desoriëntatie. Een tweede symptoom dat bij Alzheimer zou kunnen passen.

“Zijn karakter is ook veranderd, dokter”, klaagt de vrouw. “Vroeger was hij een heel lieve man. Tegenwoordig kan hij zo’n kort lontje hebben.”

“Wanneer heeft u die verandering opgemerkt?” vraag ik. Bij Alzheimer verwacht ik een langzame verergering van de klachten. Maar dat weet de echtgenote helaas niet te vertellen.

Voor mij is het verhaal desondanks wel duidelijk. Nu is het wachten op de uitslagen van de geheugentesten, die door de verpleegkundige worden afgenomen. Naar aanleiding van de hetero-anamnese verwacht ik forse afwijkingen op het gebied van geheugen, overzicht en oriëntatie. Mevrouw gaat ondertussen even naar het restaurant in de centrale hal om koffie te drinken.

Als we ’s middags de uitslagen bespreken met de geriater, hoor ik dat de patiënt bij de geheugentesten nauwelijks fouten heeft gemaakt. De diagnose dementie kunnen we met deze uitslagen absoluut niet stellen.

Toch gek, vinden we, dat de echtgenote zo’n typisch verhaal vertelt.

‘Misschien heeft ze de problemen overdreven, omdat ze zich zorgen maakte,’ oppert de geriater. ‘Stel haar maar gerust.’

Ik loop naar de wachtkamer om het echtpaar binnen te roepen voor het eindgesprek. Maar daar zit alleen de patiënt. Zijn echtgenote is in geen velden of wegen te bekennen. Op hetzelfde moment komt een medewerkster van de chirurgie, met mevrouw aan de arm, naar ons toe. “Ze dwaalde over onze afdeling en wist niet meer waar ze moest zijn. Ik neem aan dat ze hier een afspraak heeft?” “Nee”, zeg ik, “haar echtgenoot.”

In de brief aan de huisarts schrijf ik: “Geen aanwijzingen voor dementie. Echter gaarne uw aandacht voor echtgenote. Eventueel ook eens verwijzen naar onze geheugenpoli?”

Delen