De co-assistent

Alsof we het zo af hebben gesproken, het weer en ik. De lucht is potloodgrijs gestreept. Ver weg regent een waterig zonnetje naar het dak van het ziekenhuis. Het is vrijdag en de troep forenzen waar ik deel van uitmaak, marcheert langs het tramspoor met net iets lichtere passen dan op de overige dagen van de week. Voor hen is het bijna weekend.

Voor mij betekent deze vrijdag iets meer. Het is de laatste vrijdag van twaalf weken, de laatste vrijdag van mijn laatste co-schap. Ik word altijd wat melancholisch van dit soort dagen; vandaar misschien dat ik dit druilerige weer zo kan waarderen.

Op de afdeling verloopt de overdracht als vanouds. Er zijn kinderen geboren en opgenomen, een goede werkdag gewenst en tot volgende week! Maar voor mij komt er geen volgende week. Niet hier.

Ongelooflijk dat ik een week geleden, in een ander ziekenhuis, zat te praten over een baan als arts-assistent. Nog ongelooflijker dat het al vier jaar geleden is dat ik voor het eerst die witte jas aantrok. Toen was hij me nog veel te groot. Mijn stethoscoop voelde vreemd volwassen in mijn handen. Moest ik patiënten zien?

Ik herinner me hoe ik, nerveus en timide, achter de artsen aan de patiëntenkamers inschuifelde. ‘Goedemorgen…’ (nauwelijks verstaanbaar) ‘… ik ben de co-assistent.’

Mijn eerste échte patiënte was oud en breekbaar door de kanker. Die was pas een dag eerder bij haar gediagnosticeerd. ‘Ik heb dit nooit eerder gedaan,’ biechtte ik haar op toen ik haar moest onderzoeken.

‘Dat geeft niet, lieverd,’ zei ze, ‘ik ook niet. Maar samen komen we er vast wel uit.’

Soms vraag ik me af wat er van haar geworden is.

Zo zijn er meer patiënten die me zijn bijgebleven. De vrouw met de hersentumor, die haar behandeling lijdzaam onderging, zwijgend, tot het einde. De twee kindjes die ik zag met spina bifida, duizenden kilometers van elkaar verwijderd. Mevrouw C. die géén gordelroos had. Het blonde jongetje bij de kinderpsychiatrie. En natuurlijk ‘mijn’ mevrouw N. die ik zo graag had willen helpen.

Zij zijn bij me als ik voor de laatste keer achter de kinderarts aanloop naar de ouders van een patiëntje. Achter het raam knipoogt de zon, heel even maar, tussen de wolken door. ‘Goedemorgen,’ zeg ik, ‘ik ben de co-assistent.’

Delen