Doorzetter

Als tandartsassistente maakte Nathalie Sampono haar droom waar. Met ijzeren doorzettingsvermogen legde ze een lange weg af naar de door haar begeerde functie van tandarts. “Het is het mooiste beroep dat er is.”

Tekst: Wout de Bruijne | Beeld: De Beeldredaktie/Vincent van den Hoogen

Het interview vindt plaats op maandag 28 februari, een gewone doordeweekse werkdag boven de grote rivieren. Maar de praktijk in het Brabantse Hoogeloon, waar Nathalie Sampono (44) tandarts is, is gesloten. “Ja, carnaval, hè”, zegt ze. “Ze gaan hier momenteel helemaal los omdat het door COVID de afgelopen twee jaar niet gevierd kon worden. Het is ze van harte gegund, maar zelf ben ik niet zo’n ‘carnavaller’. Bovendien ben ik hoogzwanger van mijn eerste kindje.” 

Behalve dat Sampono in Hoogeloon werkt, werkt ze ook in Weert, Midden-Limburg. Ze is nog niet zo heel lang tandarts (in juni 2019 studeerde ze af in Groningen), maar ze kent meer kanten van de dagelijkse praktijk dan sommige tandheelkundigen met langere ervaring. Zíj kent het vak aan beide kanten van de stoel; Nathalie was jarenlang tandartsassistente in diverse praktijken. 

“Natuurlijk is de rol van een assistente een andere dan die van de tandarts”, zegt ze. “Maar het is ook al heel lang niet meer beperkt tot alleen het aangeven van het gereedschap. Veel assistentes hebben ook een éigen agenda. Zo legde ik laesierestauraties aan, zette ik verdovingen en maakte ik prothese-afdrukken. En tijdens de periode waarin ik bij een grote orthodontiepraktijk werkte, wist ik ook veel over beugels.” 

Dat tandarts Sampono ooit als assistente in de tandheelkunde begon, is gezien haar vooropleiding niet echt logisch. Ze deed LBO elektrotechniek. “Mijn keuze voor die opleiding heb ik niet echt bewust gemaakt”, zegt ze. “Als kind heb ik een grote leerachterstand opgelopen. Ik ben geboren in Suriname, in een dorpje niet ver van Paramaribo. Toen ik een jaar oud was, gingen mijn ouders naar Nederland, maar vier jaar later gingen ze terug naar Suriname. In 1987, toen ik tien jaar was, keerden mijn ouders definitief terug naar Nederland en gingen ze in Eindhoven wonen.”

De onderwijzers in Nederland hadden Nathalie maar relatief kort meegemaakt op school en gingen voor het advies over een geschikte middelbareschool af op de uitslag van de Cito-toets. Daar kwam uit dat het LBO/MAVO elektrotechniek moest zijn. “Dat ben ik toen maar gaan doen, ik wist niet wat ik anders wilde.” 

Na haar opleiding in de elektrotechniek had Nathalie Sampono weinig zin om in die richting verder te gaan of om werk op dat gebied te zoeken. “In plaats daarvan deed ik een tussenjaar ‘oriënteren en schakelen’ voor oriëntatie op toekomstmogelijkheden en interesses. Hier kwam ik in contact met de tandheelkunde door een klasgenootje dat enthousiast vertelde over haar stage bij een tandartsenpraktijk. Ik besloot de driejarige opleiding tot tandartsassistente te doen en dat bleek voor mij wél de juiste keuze.” 

Assistente Sampono kon na haar opleiding direct de praktijk in. Maar ze wilde meer. “Ik ben iemand die binnen een functie graag extra uitdagingen zoekt.” Na een jaar zat ze in het team voor het begeleiden van de werknemers. “Ik besliste mee bij sollicitaties en werkte nieuwe collega’s in. Voor functioneringsgesprekken bracht ik de leidinggevenden op de hoogte van de kwaliteiten van de nieuwe werknemers.” 

Haar éigen kwaliteiten bleven niet onopgemerkt en toen Nathalie Sampono in de praktijk van een orthodontist werkte, kreeg zij van hem te horen dat haar ‘schoolpapieren niet bij haar klopten’. “Of andersom”, lacht ze. “In ieder geval kon ik volgens hem tandarts worden.” 

‘Het is een afwisselend beroep dat voor mij absoluut de moeite van de lange route waard was’

Daar had de assistente wel oren naar: “Het was mijn droom.” Maar natuurlijk was het ook een enorme stap voor iemand met LBO elektrotechniek als basis. Een stap die begon met het behalen van VWO- deelcertificaten en haar propedeuse. Ze koos voor Toegepaste Natuurwetenschappen. Het lukte haar allemaal en ze deed het naast haar dagelijkse werk in de praktijk. En tot haar grote geluk kon ze daarna direct in Groningen terecht voor de zesjarige studie tandheelkunde. 

Daarvoor moest ze wel op haar zesendertigste nog op kamers in het Hoge Noorden. “Ik woonde in Eindhoven samen met mijn vriend, nu mijn man, Pascal. Ik zou al die tijd in Groningen ook geen inkomen hebben, omdat ik niet kon werken naast mijn studie. Maar Pascal stond voor meer dan 100 procent achter mijn keuze en nam alle kosten voor zijn rekening.” 

Natuurlijk was zo’n ‘weekendrelatie’ wennen en miste ze haar vriend, maar de tandheelkundestudente kon ook wel genieten van haar zo andere leven in Groningen. “Ik maakte vrienden en ging wel eens uit. Maar met mate, want ik wilde alle studieonderdelen wel in één keer halen. Dat is me, op enkele
theorie-examens na, ook gelukt.”

Sinds ze in 2019 haar zo felbegeerde bul haalde, werkt tandarts Sampono nu in de behandelkamer dus aan de andere kant van de stoel. “Dat is natuurlijk anders, maar verschilt ook weer niet zo heel veel met wat ik als assistente allemaal al deed. En wat sowieso hetzelfde blijft, is het teamwerk. Dat staat voor mij altijd voorop. Assistentes hebben in dat opzicht wel eens tegen me gezegd dat ze kunnen merken dat ik ook assistente ben geweest, omdat ik volgens hen veel geduld heb en hen goed begrijp. Dat vind ik fijn om te horen.”

Of ze in de toekomst nog meer tandjes wil bijzetten in haar carrière, zegt de aanstaande moeder op dit moment niet te weten. “Ik heb vaak geassisteerd bij implantologie en heb implantaten gemaakt. Ik heb daar veel affiniteit mee. En orthodontie trok mij ook altijd wel. Maar ik ga straks eerst genieten van onze gezinsuitbreiding en daarna weer lekker aan de slag als tandarts.” 

Nathalie Sampono noemt haar vak ‘het mooiste beroep dat er is’. “De technische kant ervan boeit me, maar vooral de psychologische aspecten, het omgaan met mensen. Het is een afwisselend beroep dat voor mij absoluut de moeite van de lange route waard was. Ik zou het opnieuw doen als het moest. Maar om écht te beseffen dat dat niet hoeft, moet ik mij soms nog weleens in mijn arm knijpen.”