Een andere kijk

Studenten van verschillende (para)medische en welzijnsopleidingen bij elkaar brengen en interprofessioneel leren samenwerken. Het is iets wat steeds meer hogescholen en universiteiten doen. Arts en Auto maakt een rondje door het land en peilt de ervaringen.  

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: Tamar Smit

Interprofessionele of multidisciplinaire samenwerking: what’s the difference? Er wordt toch al sinds jaar en dag samengewerkt tussen verschillende disciplines? Klopt. Maar er zijn wel degelijk grote verschillen. In het kort: bij multidisciplinaire samenwerking werkt elke discipline vanuit het eigen perspectief. Ieder doet zijn zegje, vaak na elkaar en het gaat óver de patiënt. Bij interprofessionele samenwerking stellen de verschillende disciplines tijdens een gepland overleg samen één zorgplan op, waarbij de patiënt nauw betrokken wordt.

“Interprofessioneel is de toekomst”, weet Mariëlle van Wijngaarden (26). Ze is zesdejaars geneeskunde en doet haar wetenschappelijke stage op dit gebied. “Mensen worden ouder en steeds meer ziekten worden chronisch, waardoor de groep patiënten met meerdere aandoeningen groeit. Daardoor zijn er vaak meerdere zorgprofessionals betrokken bij een patiënt. Als dokter kan ik wel bedenken dat iemand baat heeft bij een operatie, maar mogelijk heeft de ergotherapeut een tool waarmee de patiënt zelfstandig een blikje kan openen. Misschien ziet een patiënt dan wel af van een operatie. Maar dit bereik je alleen als je intensief samenwerkt, van elkaar weet wat je kunt betekenen voor een patiënt en die patiënt erbij betrekt.”

En dat moet je al in de opleiding leren. Want, zo zeggen wetenschappers, professionals die bijna exclusief in isolatie worden opgeleid, hebben moeite om samen te werken als ze in de praktijk terechtkomen.

Professionals die bijna exclusief in isolatie worden opgeleid, hebben moeite om samen te werken als ze in de praktijk terechtkomen

In Canada krijgen onderwijsinstellingen geen accreditatie als ze niet interprofessioneel opleiden. Zover zijn we in Nederland nog niet, maar er zijn al wel allerlei initiatieven. Zo houdt het Radboudumc, waar Mariëlle studeert, samen met de HAN, jaarlijks een interprofessionele hackathon. Op die dag komen co-assistenten, aiossen, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten in opleiding en paramedisch studenten (ergotherapie, fysiotherapie, diëtetiek) bij elkaar, samen met een patiënt, of in het geval van Mariëlle een mantelzorger. “Ze vertelde dat zij en de patiënt voor wie ze zorgde, gek werden van de slechte communicatie tussen instanties, tussen artsen onderling en tussen de tweede en eerste lijn. Wij kregen de gelegenheid om allerlei vragen te stellen, ieder vanuit zijn professie, met zijn eigen ‘bril’ op. Vervolgens gingen we in twee groepen uit elkaar om een zorgplan te maken. Nadat we dat gepresenteerd hadden, zei de mantelzorger: ‘Als iedereen het zo zou doen, zouden we enorm geholpen zijn’.”

Steeds complexer

Anna Spruit (19), tweedejaars oefentherapie aan de Hogeschool van Amsterdam, nam dit schooljaar deel aan het eerste, verplichte interprofessionele onderwijsprogramma van de HvA, de UvA en het AMC. Van de opleidingen ergo-, fysio- en oefentherapie en verpleeg- en geneeskunde werden 1100 tweedejaars verdeeld over 168 zorgteams, die in vier bijeenkomsten met een fictieve casus aan de slag gingen. “De problematiek werd elke bijeenkomst complexer”, vertelt Anna. “Eerst had de patiënt een wondje op de voet. Dat werd een infectie enuiteindelijk volgde zelfs amputatie.”

Anna noemt het programma een aanwinst voor het onderwijs. “Ik denk dat het belangrijk is dat je nu al leert om met z’n allen, vanuit verschillende invalshoeken, naar een patiënt te kijken. Voor de oefentherapeut is het ook fijn dat een arts weet wat ons vak inhoudt en waarvoor ze ons kunnen inschakelen. Want ze hadden bij de start geen idee. Ze dachten dat we wat oefeningetjes met patiënten deden. Ze waren echt verrast toen ik vertelde dat we ons bezighouden met motoriek, cognitie, emotie, motivatie en omgeving en dat we gedragsverandering proberen te bewerkstelligen.”

Voor de oefentherapeut is het ook fijn dat een arts weet wat ons vak inhoudt en waarvoor ze ons kunnen inschakelen

Dit is wel herkenbaar voor geneeskundestudent Mariëlle. Zo ging het bij de hackathon ook. “We begonnen met een rondje: wat ben je, wat doe je, wat kun je? Dat rondje heeft lang geduurd. Dan pas kom je er bijvoorbeeld achter hoeveel kennis een verpleegkundige van wondzorg heeft. En ik geef toe: ik wist niet eens precies wat het verschil was tussen een fysiotherapeut en een ergotherapeut. Nu ik dat wel weet, denk ik tijdens een co-schap: laat ik eens een ergotherapeut vragen als een patiënt problemen heeft met opstaan.” Mariëlle vermoedt dat interprofessioneel onderwijs ook een positieve invloed heeft op de hiërarchie in de zorg. “Als je andermans rol kent, dan verlaagt dat de drempel om iemand erbij te vragen of om advies te vragen. En als je iemand persoonlijk kent, stap je natuurlijk nog makkelijker op diegene af.”

Minder hiërarchisch

Ook Lieke Exerkate (25), laatstejaars HBO-V aan de Hogeschool van Utrecht, haalt de hiërarchie aan als het gaat over het interprofessionele programma dat zij heeft gevolgd tijdens haar stage in het UMC Utrecht. “De jongere generatie dokters is sowieso al minder hiërarchisch ingesteld dan de oudere generatie. Maar ik denk dat de hiërarchie tussen verschillende zorgprofessionals door interprofessioneel onderwijs nog minder zal worden. Je ziet elkaar als mens. Je ziet dat ook artsen weleens twijfelen en dat het dus niet erg is als jij een keer twijfelt.”

Binnen de divisie Interne Geneeskunde & Dermatologie heeft Lieke drie weken de zorg over vier patiënten op de afdeling Infectieziekten gehad, samen met studenten geneeskunde, farmacie, fysiotherapie en diëtetiek. Dit onder begeleiding en eindverantwoordelijkheid van hun supervisoren. Ook bij deze interprofessionele ontmoetingen verrasten studenten elkaar over en weer. “Studenten farmacie waren verbaasd over hoe veel wij van medicatie weten”, noemt de verpleegkundige een voorbeeld. “Wat ik verder als heel waardevol heb ervaren, is dat je meekrijgt hoe artsen onderling overleggen. Elk beroep heeft toch een beetje zijn eigen jargon. Door dit programma weet ik beter welke informatie artsen op welke manier nodig hebben. En andersom: zij kwamen erachter dat ze ons bepaalde dingen in de ochtend nog niet moeten vragen, omdat we dat dan nog niet weten.”

Lieke heeft ook gezien wat het oplevert wanneer verschillende disciplines met elkaar de situatie van een patiënt bespreken. “We hadden een patiënt die niet durfde te staan, ze was bang om te vallen. De fysio in opleiding kwam met een opstahulpmiddel waar wij nog nooit van hadden gehoord. Hiermee kon ze gaan staan, maar niet vallen, hooguit terugvallen in zithouding. Dat nam de angst weg.”

Waar Lieke interprofessioneel heeft samengewerkt in het ziekenhuis, doet Luuk Martens (22) dat momenteel op wijkniveau. Hij is vierdejaars fysiotherapie aan de HAN en bezig met zijn afstudeerstage in gezondheidscentrum Thermion in Lent, een van de zogenaamde Sparkcentres in de regio Arnhem-Nijmegen. “Onderwijs, onderzoek, zorg, welzijn en burgers komen bij elkaar in deze Sparkcentres. Studenten van verschillende zorg- en welzijnsopleidingen werken interprofessioneel samen aan een vraagstuk vanuit de wijk.”

‘Niet de klachten maar de behoeften van de patiënt vormen het uitgangspunt’

Ook zien ze gezamenlijk individuele patiënten. Elke donderdagochtend ontmoeten Luuk en andere paramedisch studenten en studenten geneeskunde en Maatschappelijk Werk en Dienstverlening een patiënt, vaak met complexe problematiek. Dit onder toezicht van een huisarts. “We beginnen met het stellen van vragen. Alleen dat is al heel leerzaam. Vanuit mijn vakgebied zou ik niet zo snel vragen naar de psyche. Hoe voel je je daarbij? Hoe is dat voor je naasten? Ik vind dat best confronterend, maar een maatschappelijk werker weet het zo te formuleren dat het helemaal niet confronterend is. Daar pik je wel iets van op. En misschien nog belangrijker: je wordt je bewust van wat een andere zorg- of welzijnsprofessional kan en naar wie je een patiënt dus eventueel kunt doorverwijzen.”

Eyeopener

Uiteindelijk komt de groep studenten gezamenlijk tot een ‘adviserend zorgplan’, dat naar de huisarts en de behandelend arts(en) gaat. “Niet de klachten maar de behoeften van de patiënt vormen daarbij het uitgangspunt”, zegt Luuk. “Dat maakt dat de patiënt zich eigenlijk altijd kan vinden in het plan. En voor de huisarts is het soms echt een eyeopener. Hij heeft natuurlijk maar tien minuten voor een patiënt. Wij hebben drie tot vijf uur. Dan komen we er bijvoorbeeld achter dat iemand ook psychische klachten heeft; misschien verdienen die klachten eerst aandacht. Dit laat wel zien hoe waardevol die interprofessionele aanpak is.”