Een halfdode wesp

Ignace Schretlen
Ignace Schretlen is publicist, beeldend kunstenaar en voormalig huisarts. Lees alle artikelen van Ignace Schretlen

Het was de dakbedekker die ons halverwege augustus wees op een wespennest bij één van de regenpijpen. ‘Even een spuitbus erop zetten en het tuig is kassiewijle,’ luidde zijn advies. Van top tot teen ingepakt en met militaire precisie trokken wij in het stikdonker ten strijde. De operatie mislukte helaas jammerlijk. Na twee spuitbussen gaven wij ons gewonnen en werd een professionele insectenverdelger ingeschakeld. Door zijn daadkrachtig optreden legden naar zijn zeggen meer dan duizend wespen het loodje. Het is juist: ik heb er zelf om gevraagd maar toch bevredigt deze massamoord mij niet echt. Vormden al die beesten nou echt wel zo’n bedreiging?

Een paar dagen later belandde er een wesp in mijn volle glas melk. Ik zag het beestje wanhopig spartelen en kon zijn doodsstrijd niet verdragen. Met het glas liep ik naar het gras en liet de melk er voorzichtig uitstromen. De wesp bleef even beduusd op de grond liggen en vloog toen snel van zijn redder weg. Ik was blij dat het beestje niet was verdronken. Tegelijk besefte ik het absurde van deze situatie. Lijden dat je niet ziet, deert je niet! Dat geldt voor beleidsmakers die besluiten moeten nemen over ‘lastige dossiers’, waarin mensen zijn gereduceerd tot letters en cijfers. Dat geldt helemaal voor het gebruik van vernietigende drones in oorlogen.

Lijden dat je niet ziet, deert je niet!

Nog altijd ben ik van mening dat dokters in principe élke patiënt met een serieuze klacht moeten zien. Bij persoonlijk contact staan immers alle registers open. Mocht dit echter om ongeacht welke reden toch niet lukken, dan heb ik vele malen liever de patiënt even aan de lijn dan dat de assistente mij een kort verhaaltje presenteert, op basis waarvan ik met mitsen en maren het beleid moet gaan bepalen. Ook een stem kan veel verraden. Nu weet ik zelf ook wel dat de praktijk erg weerbarstig is. Zeker tijdens weekenddiensten heb ik veel mensen behandeld die net als voor beleidsmakers waren gereduceerd tot letters en cijfers. Gelukkig stemden zij hiermee in.

Bij een goede band tussen arts en patiënt hoop je dat beiden elkaar een zekere mate van krediet gunnen. Van een heel rijtje patiënten kon ik veel incasseren omdat ik deze mensen goed kende. Kwam één van hen bijvoorbeeld zonder afspraak naar de praktijk, dan werd hij of zij tussendoor toch geholpen. Ik had er ook geen enkele moeite mee om af te wijken van richtlijnen, wanneer ik wist dat ik hiermee de betrokken patiënten gerust kon stellen. Omgekeerd hoopte ik ook dat een goede band mij als huisarts minder kwetsbaar maakte, wanneer er onverhoopt iets misging. Dat was ook zo, want helaas heb ook ik ernstige fouten gemaakt zonder dat ik werd aangeklaagd.

Mijn bedenkingen bij veel uitspraken van medische tuchtcolleges hangen hiermee samen. Ik kan het niet onderbouwen, maar heb het stellige vermoeden, dat voor elke arts die een maatregel opgelegd krijgt er misschien wel vijf, tien of nog veel meer collegae zijn die dezelfde medische fout hebben begaan zónder dat er een klacht over hen is ingediend. Wanneer in tuchtrechtelijke uitspraken voor de zoveelste keer het accent op de médische misser wordt gelegd, begaat het tuchtcollege zelf een misser door niet de vinger op de pols te leggen: van een goede band tussen arts en patiënt blijkt dan zelden sprake te zijn. Integendeel en juist daarin zit de angel!