Haagse arrogantie in toga

Ignace Schretlen
Ignace Schretlen is publicist, beeldend kunstenaar en voormalig huisarts. Lees alle artikelen van Ignace Schretlen

De toen 23-jarige Syrische vluchteling Nourhan beging in augustus 2016 de onvergeeflijke fout om een nacht door te brengen in beschermd natuurgebied tussen Scheveningen en Kijkduin, ter plekke bekend als het Westduinpark. Om de drukte in Damascus te ontvluchten had de jongen – zodra er tijd en geld was – er graag een busrit van 330 kilometer naar de havenstad Latakia voor over om ’s nachts vlakbij zee te genieten van de sterrenhemel. Hij is een puur natuurmens. Eenmaal in Nederland moest hij een jaar wachten voordat hem dit werd vergund.

De verbalisant suggereerde dat Nourhan aan de boete van € 45,- kon ontkomen door in een brief aan het Openbaar Ministerie tekst en uitleg te geven, maar op 12 maart 2018 kreeg ‘de verdachte’ tot zijn consternatie een oproep om op 30 mei om 9 uur te verschijnen “ter terechtzitting van de kantonrechter in Den Haag (…) teneinde aanwezig te zijn bij de (nadere) behandeling van de tegen u aanhangige strafzaak.” Vluchtelingenwerk en het Juridisch Loket konden niets voor hem betekenen. Ik trok mij zijn lot aan en ben met hem meegegaan.

Of je Den Haag Centraal nu links of rechts verlaat, het station verzuipt tussen bijna intimiderende hoogbouw. Als regeringszetel van Nederland ruikt de stad naar macht. Ik heb rechtbanken bezocht in Eindhoven, ‘s-Hertogenbosch, Hilversum, Amsterdam en Arnhem, maar het Paleis van Justitie in Den Haag is onder rechtbanken wat Leiden onder universiteiten is. Onderhuidse arrogantie, subtiel dedain en hautain gedrag bij de minste ruis in de communicatie horen hier tot de bedrijfscultuur, die al merkbaar is wanneer je bij de receptie een vraag te veel stelt.

Onderhuidse arrogantie, subtiel dedain en hautain gedrag bij de minste ruis in de communicatie horen hier tot de bedrijfscultuur

In mijn schriftelijke pleidooi – waarin ik niet kon nalaten te schrijven dat ik huisarts ben geweest in de hoop dat dit extra gewicht in de schaal zou leggen – probeerde ik begrip voor Nourhan te kweken. Ik ken de jongen goed, weet wat er is gebeurd en ben er heilig van overtuigd dat hem niets te verwijten valt. Nourhan zou alsnog keurig zijn boete betalen, wanneer hij maar geen strafblad kreeg, want dat zou mogelijk zijn toekomst in gevaar kunnen brengen.

Per aangetekend schrijven vroeg Nourhan het Openbaar Ministerie om zijn Proces verbaal. Dat heeft hij – ook na een tweede brief – nooit ontvangen. Mijn eveneens aangetekende brief met het pleidooi raakte volgens een medewerker zoek. Twee dagen voor de zitting mocht ik dit alsnog per mail zenden. Mij werd beloofd dat de Officier van Justitie dit zou doorgeven aan de rechter. Maar toen de Officier van Justitie met minachting dit pleidooi ter sprake bracht, bleek de rechter hierover helemaal niet te beschikken. Een kopie die ik juist voor de rechter naar de rechtbank had gestuurd om dit te voorkomen kwam ook niet boven water.

De zitting was een gênante vertoning van drie toga-draagsters voor wie Nourhan niet meer was dan een delict dat zonder enige betrokkenheid in een kwartiertje moest worden afgewerkt. Toen de rechter mij bij het verlaten van de zaal vroeg wie ik was, wist ze zich van schaamte geen houding te geven.

Hoeveel kost het om deze dames en de tolk (per abuis waren er zelfs twee ingehuurd) dit klusje te laten klaren? Een veelvoud van de € 45,- die Nourhan voorwaardelijk kreeg opgelegd met daarbij helaas een strafblad. Kon ik maar met wat duinzand van zijn schoenen het geoliede gerechtelijk apparaat eens flink te laten knarsen.