Hartkloppingen

Tjitske van Engelen
Tjitske heeft een jaar als anios Interne Geneeskunde gewerkt en is recent begonnen met promotieonderzoek naar infectieziekten. Zij schrijft over haar ervaringen in de kliniek, het wel en wee van promovendi en verwonderingen binnen de gezondheidszorg." Lees alle artikelen van Tjitske van Engelen

“Welkom op je nieuwe werkplek!” Stralend wijst ze naar een van de dertig bureaus in het hok. Er is geen daglicht. Er is wel een raam. Het raam zou uitkijken op het naastgelegen laboratorium, ware het niet dat er een poster over een ingewikkeld eiwit bij een ingewikkelde ziekte overheen is geplakt.

Sommige bureaus zijn een explosie van gele post-its. Andere bureaus zijn voorzien van chocola, koekjes en een sporadische wilde perzik. Vrijwel alle beeldschermen zijn verhoogd doordat ze bovenop een stapel gekleurde proefschriften staan.

Je treft ook verrassende items: knuffel pandaberen, half leeggelopen heliumbalonnen, rectale swabs (gelukkig in hun verpakking) en tennisballen. Hier mag ik de komende vier jaar aan de slag.

Een beetje beduusd onderga ik mijn eerste werkweek als promovendus. Het voelt onwennig. Ik ben rusteloos. Niemand belt me. Doet mijn pieper het wel? Oh wacht, ik heb geen pieper. Het tempo ligt lager dan in de kliniek. Als arts-assistent hoop je dat je telefoon gaat als het rustig is en hoop je dat je telefoon stopt met gaan als het druk is. Er zit niks tussenin. Nu zit ik in een hok met drie telefoons voor dertig promovendi en volgens mij weet niemand wat mijn nummer is.

Koffiedrinken en lunchen wanneer ik wil

Eén van mijn collega’s doet een klinische studie, met echte patiënten, en heeft daarom een pieper. Opeens gaat die pieper af. Ik spring op uit mijn stoel, mijn hartslag verdubbelt, mijn bijnieren ledigen zich van hun adrenaline – waar is de reanimatie? Dan realiseer ik me dat de pieper van het AMC hetzelfde tergende geluid maakt als mijn ex-reanimatiepieper van het Flevoziekenhuis. Ik herstel van mijn fout door te doen alsof ik net koffie wilde gaan halen.

Dat kan nu dus. Koffiedrinken wanneer je wilt. Sterker nog, ik kan lunchen wanneer ik wil. Sterker nog, ik kan vanavond in alle waarschijnlijkheid naar mijn wielrenclubje. De kans dat mijn patiënt opeens aan het einde van de dag instort, is een stuk kleiner als je alleen onderzoek doet op semi-gezonde vrijwilligers. Lekker rustig. En soms een beetje saai. Maar misschien wordt het vanaf volgende week weer spannend.