IJverzucht

Soms lijkt promoveren één lange lijdensweg, met als doel ons allen op te leiden tot uitmuntende klagers. In de lunchpauzes wordt er flink geoefend. Wordt dat geklaag later minder of moet je je tot topklager ontwikkelen als je een leerstoel ambieert? En waarom doen we het eigenlijk, dat klagen?

Ik denk dat iedereen last heeft van ijverzucht. Dat klinkt best mooi, maar in de volksmond noemen we dat Jaloezie. Met dank aan mijn omgeving, hierbij een aantal volledig speculatieve gedachtegangen.

Wat zijn wij jaloers, dat zíj gewoon achterover kunnen leunen en mogen schieten op je onderzoek. Zij hebben overzicht, ondanks dat ik het ene na het andere artikel lees. Het lijkt me zo leuk om te kunnen uitzoomen. Dat je als professor je onderzoekers alleen maar een beetje hoeft te sturen. Relaxed, achteroverleunend in je stoel, terwijl jouw promovendi zich door hun PowerPoint heen worstelen waar ze dagen aan hebben gewerkt.

Maar wat zullen zij jaloers zijn, dat wij dagen kunnen priegelen met PowerPoint Shapes, kleurtjes en stroomdiagrammen. En dat wij zelf kunnen bedenken wanneer we koffie gaan drinken. Zij rollen van afspraak in afspraak. Onafgebroken powerpointen zit er niet in. Behalve op het vliegveld misschien, op weg naar het internationale congres waar ze als keynote speaker voor een volle zaal moet praten.  

Waarom begrijpen zij niet dat je niet zomaar je studie kunt uitbreiden naar een ander ziekenhuis? Zij hebben toch ook geleerd over de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC) en het administratieve proces dat daarbij komt kijken? Je kan niet ‘even’ iets opzetten en volgende maand beginnen. Toch? De bazen wekken wel die indruk. En zij zullen het wel weten. Toch…? Misschien moet ik dan toch even bellen met de METC…

Maar wat zullen zij jaloers zijn, dat onze inbox vrijwel leeg is. Bij ons komt het voor: geen mail krijgen op zondag. En doordeweeks? Tja, er wordt weleens in hoge frequentie heen- en weer gemaild, maar dat is ook de mentaliteit van onze WhatsApp-generatie. Korte zinnetjes over wanneer we pauze zullen houden of wanneer we op skivakantie gaan. En soms over iets inhoudelijks. Maar échte mailtjes? Waar je écht iets mee moet? Die zijn op een gemiddelde werkdag op één hand te tellen. Als je bij hen in overleg zit hoor je elke vijf minuten het bliebje van een nieuw binnengekomen email.

Hoe kunnen ze nou zeggen: “leuke resultaten, maar misschien moet je het experiment even herhalen” Even? EVEN? Ik heb drie weken niks anders gedaan dan muizen wegen, kooien verschonen, snorharen tellen en kijken wanneer ze te ziek zijn om nog mee te mogen doen aan het experiment. En het duurde zeker een half jaar voordat ik deze muizen daadwerkelijk onder ogen had. Even het experiment herhalen… Pfff.

Maar wat zullen zij jaloers zijn, dat ons functioneren niet breed wordt uitgemeten in Principal Investigator (PI) scores. Heerlijk, dat wij iets kunnen publiceren in het clubblad zonder ons zorgen te hoeven maken over grappende opmerkingen van collega’s. De AMC Research Evaluation is glashelder: hoe was je productie, hoe was je kwaliteit en wat verwacht men van je toekomst? En dat alles uitgedrukt in keiharde cijfers, inzichtelijk voor al je academische collega’s. Ai, dalende lijn? Bijna met pensioen… 

Wat zijn wij jaloers, dat zij er al zijn. Hoe krijg ik ooit dat boekje af, als zelfs het impactloze vakblad mijn negatieve data niet wilt hebben? Die professoren hebben vast veel minder zorgen. Daar verderop in de gang, veilig gezeteld op hun leerstoel.

Maar wat denken zij? “Wat hebben die PhD-ers toch een luizenleven. Hun salaris is geregeld. Als ik geen tijd maak voor die beursaanvraag, dan wordt het niks. Zonder geld kan ik geen mensen aannemen. En zonder mensen kan ik minder onderzoek doen. En minder onderzoek betekent minder beurzen, gevolgd door nog minder mensen. En daar gaat mijn PI score.”

Ik heb natuurlijk geen idee of mijn promotoren echt jaloers zijn. En of mijn collega’s jaloers zijn. Eigenlijk is jaloezie überhaupt een vrij zinloze en negatieve emotie. Weet je wat? Laten we maar stoppen met die ijverzucht.