Klapdeuren

Tjitske van Engelen
Tjitske heeft een jaar als anios Interne Geneeskunde gewerkt en is recent begonnen met promotieonderzoek naar infectieziekten. Zij schrijft over haar ervaringen in de kliniek, het wel en wee van promovendi en verwonderingen binnen de gezondheidszorg." Lees alle artikelen van Tjitske van Engelen

Het is donker. Twee minuten voor tien kan ik nog net de McDonald’s binnenstappen om een cappuccino te bestellen. De AH to go en de Kiosk zijn al uren dicht. Verdoofde Almeerders eten staand aan de kassa handenvol patat terwijl ze wachten op hun hamburger. Wat voor hen het einde is van een avondje kroegen, is voor mij het begin van de nachtdienst.

Om half elf heb ik het reanimatiesein aan de witte jas gespeld en staat het dienstensein naar mijn telefoon doorgeschakeld. Jetzt geht’s los. Het ziekenhuis draait op halve toeren. Alle telefoonnummers zijn anders in de dienst: voor het laboratorium, voor de apotheek en voor mijn collega’s, die in geringe mate aanwezig zijn. Slechts een deel van de verlichting brandt. De klapdeuren gaan niet langer automatisch open. Met mijn pasje scan ik mezelf een weg door het verlaten ziekenhuis. Soms moet ik zelfs handmatig een deur openduwen.

Na een paar uurtjes werken is het rustig. Uit gewoonte check ik mijn telefoon. Zinloos natuurlijk. Niemand stuurt berichtjes midden in de nacht. Ik heb de overdracht voor morgenochtend al voorbereid, de patiënten slapen en ik sluit mijn ogen in de piket kamer.

En daar sta je dan, in het donker een gebit af te schrobben

Om vier uur ’s ochtends word ik wakker gebeld. Ik schiet overeind en heb gelijk het reanimatiesein en mijn heilige kladblaadje in handen. Pen in de aanslag. Het reanimatiesein vasthouden blijkt niet noodzakelijk. Leg die maar weer op het nachtkastje.

Zeg het maar!

“Ik bel over meneer Jansen. Zijn bloeddruk en pols zijn goed en eigenlijk de hele tijd al goed, maar ik dacht ik bel even om ze door te geven.” Compleet verbijsterd produceer ik een: “bedankt voor het bellen…” Hoezo bedankt?

Om half vijf ga ik een patiënt beoordelen. Ik sta aan de rand van het bed van een oud dametje. Ze wilt graag een snoepje. Een snoepje? Het is half vijf, ga nog maar even slapen. “Kind, doe niet zo moeilijk, pak het even voor me, het ligt in het bovenste laatje, maar vanwege mijn reumatische deformaties kan ik het zelf niet pakken.” Goed, ze zei niet letterlijk ‘reumatische deformaties’, maar daar kwam het wel op neer.

Zucht, oké, een snoepje. “Ja maar kind, dan heb ik wel een gebit nodig. Dat ligt op het nachtkastje. Ho, ho, wél eerst schoonmaken! Je moet hem even schoonpoetsen met mijn tandenborstel.”

En daar sta je dan, aan de wastafel, omringd door piepende infuuspalen, in het donker een gebit af te schrobben.

Om zes uur ’s ochtends doen de verpleegkundigen hun ochtendcontroles op zaal. Ik wacht op de telefoontjes. Patiënten hebben koorts, een lage bloeddruk en hoofdpijn. Wat kan er nu en wat kan wachten tot de zaalarts van de dag visite loopt? Ik loop van de Maag-, Darm- Lever, naar de Long en via de Oncologie naar de Interne. Dan valt de ochtendschemering op. Ik merk opeens dat ik mijn pasje niet meer nodig heb. Het ziekenhuis draait. De klapdeuren gaan weer automatisch open. De dienst zit erop.