Kostenziekte

‘I suddenly woke up, wrote down a few notes, and went to sleep again. That’s literally how it happened.’ Nee, dit gaat niet over die nacht, in 1965 in een motel in Florida, toen Keith Richards kort wakker werd met de eerste inspiratie voor Satisfaction, de wereldwijde doorbraakhit van The Rolling Stones. Maar de parallel is te compleet om niet te vermelden.

Dat begincitaat komt van William Baumol, Amerikaans econoom en hoogleraar aan Princeton University, die afgelopen week 95 jaar oud overleed. Ook hij werd in jaren zestig van de vorige eeuw een keer in het holst van de nacht wakker met een regelrechte ‘epiphany’, ofwel een ‘plotselinge, verwarrende openbaring’: ‘I know why these costs are going up.’

Baumols woorden komen uit een interview uit 2001, en beschrijven het ontstaansmoment van wat onder economen bekend is geworden als de wet van Baumol, de ziekte van Baumol, of cost disease.

Met ziekte in medische zin heeft dit alleen indirect te maken. In essentie, aldus een necrologie in The Washington Post, staat Baumols kostenziekte voor ‘the idea that personally delivered services naturally and inevitably increase in price year after year’. Deze vaststelling, dat de kosten van dienstverlening ‘vanzelf’ almaar hoger worden, is vooral in verband gebracht met de quartaire sector van de economie, ofwel met de overheid en semi-overheid. En met speciaal de gezondheidzorg als meest genoemde onderdeel.

Alles draait hier om het concept van ‘productiviteit’. In allerlei branches is die de afgelopen eeuw dramatisch gestegen, en daardoor ook de algehele welvaart. Dit kwam bijna helemaal door toepassing van nieuwe technologie, die het mogelijk maakte om met een gegeven hoeveelheid arbeidsuren steeds méér fysieke goederen te produceren.

Maar bij de productie van diensten ligt dit anders. Een strijkkwartet van Mozart vergt in de moderne tijd nog net zo veel inzet van muzikanten als in de achttiende eeuw, luidt een fameuze uitspraak van William Baumol. En in de gezondheidszorg is dit al niet anders. Het gaat hier immers om persoonlijke diensten. En zo lang er nog geen technologie bestaat waarmee artsen of verpleegkundigen zichzelf fysiek in tweeën kunnen splitsen, blijft één uur individuele dienstverlening gewoon één uur werk, en wordt nooit minder.

Maar doordat intussen andere, industriële sectoren van bedrijvigheid wél steeds productiever en dus kosteneffectiever worden, wordt die dienstensector, en dus ook de zorg, relatief almaar duurder. Met als gevolg dat diensten ook een steeds groter aandeel binnen het totaal van onze bestedingen opeisen. Vergelijk maar eens het percentage van ons inkomen dat we uitgeven aan voedsel, wat de afgelopen eeuw steeds minder is geworden, met dat van wat we uitgeven aan gezondheidszorg, wat juist onstuimig is gegroeid.

In Baumols visie was dit permanent-duurder-worden van gezondheidszorg iets om niet heel moeilijk over te doen. Iets om nuchter onder ogen te zien, in plaats van te bezwijken voor de verleiding, die je vooral ziet bij politici, om aan burgers en kiezers te beloven dat gezondheidszorg wél goedkoper kan. Cost disease is een ongeneeslijke kwaal – maar niet eentje waarvan we de ernst moeten overdrijven. Juist omdat de niet-dienstensector van de economie zo gigantisch veel productiever is geworden, en de producten daarvan zo veel goedkoper, kunnen we het ons makkelijk permitteren om een steeds groter deel van onze financiële middelen aan gezondheidszorg te besteden.

William Baumol is er niet meer, maar het ideeëngoed dat hij nalaat is interessant en verhelderend. Maar is het ook toekomstbestendig?

Om te beginnen is het natuurlijk niet compleet. Naast de impact van technologie zijn er nog andere belangrijke factoren die de kosten van gezondheidszorg bepalen. Denk aan het grijze grensgebied van ‘zinnige en onzinnige zorg’; aan vraagstukken van organisatie & efficiency; aan monopoliemacht van medische professionals. Kortom: aan alles dat maken heeft met het functioneren van de aanbodkant in de zorg.

Maar ook als we voor het gemak alleen kijken naar het productiviteitseffect van technologie, sluit Baumols visie op de gezondheidszorg niet meer aan op de werkelijkheid van nu. Je hoeft geen op hol geslagen technologieprofeet te zijn, om vast te stellen dat anno 2017 de belofte van wat technologie voor speciaal de dienstensector kan betekenen, een andere is dan die van een halve eeuw geleden toen Baumol zijn epifanie beleefde. Of voortschrijdende digitalisering en kunstmatige intelligentie echt ‘alles anders’ zullen gaan maken, moet voorlopig nog maar blijken. Maar dat ook in de zorg productiviteitswinst te halen valt, op specifieke onderdelen die zich hiervoor lenen, is geen echt wilde voorspelling.

Een van de mooie dingen van wetenschap en techniek, is dat die er soms in slagen om een antwoord te vinden op ongeneeslijk geachte ziekten. En dus ook, mogen we hopen, op de kostenziekte van William Baumol.

Delen