Mijn sport – Lacrosse

De een roemt de grotere dynamiek, de ander het aantrekkelijker decor. Sommigen ontdekten het bij toeval, anderen werden aangestoken door enthousiaste gezinsleden. Vijf collega’s over hun wat minder bekende sport.

Tekst: Monique Bowman en Wout de Bruijne | Beeld: Nout Steenkamp

 

De droom van tandarts Hanneke van Verseveld (27) is dat lacrosse een volwaardige olympische sport wordt. Dat was het begin vorige eeuw al even, maar toen alleen voor mannen. De aankomend tandarts maxillofaciale prothetiek, die EK’s en WK’s met het nationale vrouwenteam speelde, zet voorzichtig in. “Het zou mooi zijn als Lacrosse in 2024 in Parijs demonstratiesport is.”

In ieder geval wint de sport wereldwijd snel aan populariteit. Spelers hebben een stick (crosse) met aan het uiteinde een netje (pocket). Daarmee gooien en vangen ze een harde rubberen bal en die moet in het doel van de tegenstander belanden. Het kan er daarbij stevig aan toe gaan.

‘Het spel flitst door de lucht en over de grond’

“Ach, ruig”, nuanceert Van Verseveld, “ik noem het liever een dynamische sport. Het spel flitst door de lucht en over de grond, je moet sprinten, snel combineren, gooien en vangen. En ja, daar loop je weleens een blauwe plek bij op.” Voor alle zekerheid dragen Lacrosse-spelers een gebitsbeschermer. “De bitjes voor het Nederlands team heb ik zelf gemaakt”, lacht de tandheelkundige.