‘Ook sympathieke ouders mishandelen hun kinderen’

Forensisch arts Rob Bilo (62) werkt bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en onderzoekt onverklaard letsel bij baby’s en peuters. “Emoties mogen bij dit werk geen rol spelen.”

Tekst: Wout de Bruijne | Beeld: André van den Bos

“Gelukkig lig ik zelden wakker van het werk. Ik kan me goed ontspannen, heb een geweldig gezin, goede vrienden en natuurlijk fijne collega’s. Ik ben zoals ze dat noemen een echt ‘mensenmens’. Dat klinkt misschien paradoxaal vanwege de rationeel-afstandelijke benadering die nodig is om mijn werk goed te kunnen doen, maar ik denk dat het een het ander mogelijk maakt. Het lukt me om afstand te nemen omdát ik zo’n veilige basis heb.

Pakweg twintig jaar geleden werd nog vaak gedacht ‘zulke sympathieke ouders mishandelen hun kind niet; er moet een andere verklaring zijn voor die rare blauwe plekken’. En daarmee hield het dan verder op voor veel artsen. Het kan natuurlijk ook nu nog altijd beter, maar tegenwoordig wordt er wel eerder actie ondernomen bij onverklaard letsel. Artsen herkennen signalen van mishandeling en verwaarlozing steeds beter en melden hun vermoedens vaker. Vervolgens is het dan aan ons, forensisch artsen, om door middel van zorgvuldig onderzoek die vermoedens te bevestigen of te ontkrachten.

Ik wilde me vroeger specialiseren in kindergeneeskunde, maar in de tijd dat ik afstudeerde waren er nergens opleidingsplaatsen. Mijn voorkeur ging naar de sociale pediatrie; ik ben toen terechtgekomen bij consultatiebureaus en in de zorg voor verstandelijk beperkten.

In 1988 werd ik vertrouwensarts met de portefeuille kindermishandeling in Rotterdam. Van daaruit ben ik meegegroeid in de ontwikkeling van de forensische kindergeneeskunde, een richting die er daarvoor nog niet was.

De Van Dantzig-penning die ik in 2014 kreeg voor mijn verdiensten in de strijd tegen kindermishandeling en kinderverwaarlozing, was voor mij echt een teken dat ons vak volwassen was geworden. Die onderscheiding zag ik als waardering voor álle collega’s die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de forensische kindergeneeskunde.

Het is in dit vak absoluut noodzakelijk om bij de onderzoeken ratio en emotie (zo veel mogelijk) te scheiden. Dat geldt natuurlijk voor wel meer beroepen binnen én buiten de zorg, maar bij ons werk is het risico van emotionele beïnvloeding wel erg groot. Je werkt met kinderen, in mijn geval vrijwel alleen met kinderen tot vier jaar. Je wilt iedereen graag helpen, maar uiteindelijk help je niemand wanneer je emoties je onderzoek gaan beïnvloeden.

Het is in dit vak absoluut noodzakelijk om bij de onderzoeken ratio en emotie (zo veel mogelijk) te scheiden

Wanneer we merken dat emoties een te grote rol gaan spelen, bespreken we een casus met een collega of dragen we zo’n zaak over en bij complexe zaken ‘schaduwen’ minimaal twee collega’s de rapportage. Inmiddels halen we het er met elkaar haarfijn uit wanneer de objectiviteit in een onderzoek te zeer door emoties is beïnvloed.

In mijn beginjaren in dit vakgebied werd minder gestreefd naar wetenschappelijke onderbouwing van een vermoeden. Als Rob Bilo zei dat een kind was mishandeld, dan was dat zo.  Maar ik nam daar zelf al snel geen genoegen meer mee. Ik vond dat er altijd een gedegen wetenschappelijke onderbouwing moest zijn voor rapportages en conclusies. Samen met collega’s heb ik me hier sterk voor gemaakt en dat heeft geleid tot een enorme verbetering van de kwaliteit in ons vak.

Bij het NFI werken we nu met een team van vier forensisch geneeskundigen. Samen doen we zo’n zestig tot zeventig forensisch-medische analyses per jaar op basis van medische dossiers. De zaken die we ter beoordeling krijgen, zijn complexer geworden. Ze vragen meer tijd. We zien op dit moment meer acute zaken, bijvoorbeeld jonge kinderen met schedelhersenletsel, botbreuken en buiktrauma’s. Ook worden we nu vaker ingeschakeld wanneer bijvoorbeeld vermoed wordt dat een ouder bij een kind ziekteverschijnselen verzint of juist veroorzaakt.

Zulke zaken speelden vroeger natuurlijk ook al, maar ze kwamen minder vaak bij ons terecht. We zien tegenwoordig ook meer zaken door een recente richtlijn van het Openbaar Ministerie. Daarin is opgenomen dat de politie bij het vermoeden van mishandeling eerder bij het NFI aan de bel moet trekken.

Als Rob Bilo zei dat een kind was mishandeld, dan was dat zo. Maar ik nam daar zelf al snel geen genoegen meer mee

Ondanks de toenemende werkdruk zullen we nooit een onderzoek afraffelen. Kwaliteit gaat altijd boven kwantiteit. Zoals gezegd, vind ik dat die kwaliteit er in de loop van de jaren flink op vooruit is gegaan. Vroeger kon ik mij vooral ergeren aan wat misging. Misschien is het mijn leeftijd, maar ik kijk tegenwoordig liever naar het positieve dan naar het negatieve. Er zijn in Nederland veel slachtoffers van kindermishandeling en we moeten daar altijd scherp op blijven, tegelijkertijd toont onderzoek steeds weer aan dat ons land hoog scoort als het gaat over het geluksgevoel van kinderen. Natuurlijk leer je van de gevallen waarin het mis gaat, maar minstens zoveel leer je als je kijkt naar de gezinnen waar het wél goed gaat en op een rij zet wat kinderen gelukkig maakt.

Ik hoop tot mijn pensioen met dit fascinerende werk door te kunnen gaan. Dat is nog ruim vier jaar, als de politiek er ondertussen niet weer een jaartje bovenop gooit. Maar ook daarna zal ik het onderwerp kindermishandeling niet snel loslaten. Ik heb er eerder over gepubliceerd en heb nog wel wat schrijfplannen in die richting. En ik blijf lezingen geven en hopelijk nieuwe collega’s begeleiden. Als mensenmens zou ik die interactie niet willen missen.