Reken maar

Mijn nieuwe patiënten zijn een beetje anders dan ik gewend ben. Snel tevreden – een vriendelijk gezicht is vaak al genoeg om hen op te vrolijken – maar ook luid en duidelijk als iets hen niet zint. Ze liggen in zonnig gekleurde kamers, waar de visite af en aan loopt; aan bezoekuren doen we hier niet. Een witte jas heb ik ook niet nodig. Wel mijn stethoscoop en een rekenmachine.

Met die rekenmachine bereken ik doseringen. Van medicijnen (paracetamol, bijvoorbeeld: 90 mg/kg/24 uur) en van voedingen (150 cc/kg/24 uur gedeeld door zes, of zeven).

Mijn nieuwe patiënten vergen namelijk een aparte aanpak.

Mijn nieuwe patiënten zijn kinderen.

De laatste maanden van mijn geneeskunde-opleiding zijn aangebroken. Maanden die ik door zal brengen op de kinderafdeling voor mijn aller-aller-allerlaatste co-schap.

Het is een tijd geleden dat ik mijn reguliere co-schap kindergeneeskunde heb gelopen en dus is mijn kennis wel wat weggezakt. Zoveel formules die ik ben vergeten! Hoe bereken je het gewicht van een zesjarige? De dosering van amoxicilline voor een peuter? De infuussnelheid van NaCl bij een uitgedroogd kind van 12,3 kg? Gelukkig heb ik mijn rekenmachine en een zaalarts die me tijdens de visite de juiste formules toefluistert.

Ik begin midden in het RS-seizoen. Dat betekent dat ik niet alleen veel reken, maar ook veel luister. De afdeling ligt vol met zuigelingen die hoesten, snotteren, zagen en wheezen. In de hoop hun benauwdheid wat te verlichten, laten we ze puffen of vernevelen. Het effect daarvan moet uiteraard steeds beoordeeld worden, want zo’n behandeling is niet prettig, zeker niet voor een kind van zeven maanden. Onnodig behandelen willen we dus voorkomen.

Ik loop heel wat kamertjes af met mijn stethoscoop. Na drie dagen heb ik meer longgeluiden gehoord dan tijdens al mijn andere co-schappen tesamen.

Toch heb ik dan nog niet het vertrouwen om zelfstandig patiëntjes te zien. Komt dat door de onwennigheid op een nieuwe afdeling? Al dat gereken? Of heeft het te maken met het feit dat het om kinderen gaat, bij wie je bovenal geen fouten durft te maken?`

Ik vrees het laatste en weet dat ik hierdoor juist niets verder kom. Dus neem ik mezelf iets voor. De komende weken zal ik mijn eigen patiënten gaan zien, precies zoals ik dat deed op de volwassenen-afdeling (maar toch een beetje anders). En op de één of andere manier zal ik het daarbij winnen van die angst. Reken maar!

Delen