Speciaal voor u bewaard

Maria Winter
Maria Winter studeerde mei 2010 af tot basisarts en werkte als aios in de geriatrie en psychiatrie. Sinds kort is ze aios interne geneeskunde. In deze column doet ze verslag van haar belevenissen. Lees alle artikelen van Maria Winter

Er heerst een hardnekkig misverstand omtrent artsen dat ik bij dezen graag uit de wereld wil helpen. We mogen misschien veelvuldig vragen naar uw excrementen (in normaal Nederlands: urine, ontlasting en braaksel), maar dat betekent niet dat we al die zaken ook graag willen zien.

Toch gebeurt het me minstens eenmaal per week dat een patiënt of verpleegkundige naar me toe komt met de woorden: ‘De urine/ontlasting/het braaksel* ziet er zo vreemd uit. Ik heb het speciaal voor u bewaard, dokter. Kunt u even kijken?’

Als wellevend mens kom je er dan onmogelijk onderuit een blik op het betreffende uitwerpsel te werpen. En omdat de patiënt en/of verpleegkundige je daarbij verwachtingsvol blijft aankijken, word je ook nog geacht er iets slims over te zeggen, al kom ik meestal niet verder dan: ‘Ja, ik zie het. Dat is inderdaad plas/poep/kots*.’

Gelukkig komt het ook voor dat je als dokter wél een antwoord kunt bieden. Tijdens een dienst bij de psychiatrie werd ik naar het verpleeghuis geroepen, waar een patiënt ‘niet lekker’ was geworden. Van de verzorgende begreep ik dat hij direct na het middageten had gebraakt, wat hij wel vaker deed. Alleen zag het braaksel er nu ‘vreemd’ uit. Helemaal bruin. En ja, hoor, daar volgden de bekende woorden: “We hebben het maar even voor u laten liggen, dokter.”

Omdat het inmiddels acht uur ’s avonds was en de lunch om twaalf uur werd geserveerd, keek ik daar wel van op. Maar goed, ik was inmiddels wel wat gewend, dus liet ik me voor verder onderzoek naar de plek des onheils brengen. Daar lag de patiënt, conform zijn bekende psychiatrische toestandsbeeld, luidkeels en absoluut niet-ziek in bed te zingen. Naast hem: een werkelijk formidabele hoeveelheid bruine kots die zowel de vloer als het (gelukkig toch al niet meer zo fraaie) behang bevuilde. De stank in de kamer was niet om uit te houden.

“Hebben jullie die arme man al die tijd zo laten liggen?” vroeg ik.

De verzorgende knikte. “Als we het hadden schoongemaakt, had u het braaksel niet meer kunnen beoordelen. Wat denkt u ervan? Is het iets ernstigs?”

Plichtsgetrouw draaide ik me om en bestudeerde de plas braaksel, terwijl ik mijn best deed vooral niet te diep in te ademen. Zoals gewoonlijk zag ik er niets bijzonders aan.

Behalve…

“Wat heeft meneer vanmiddag gegeten?” vroeg ik onschuldig.

De verzorgende fronste haar wenkbrauwen. “Bruine bonen. Hoezo?”

Het bleef even stil.

“O.”

* gaarne doorhalen wat niet van toepassing is