Vader in het ziekenhuis

Ignace Schretlen
Ignace Schretlen is publicist, beeldend kunstenaar en voormalig huisarts. Lees alle artikelen van Ignace Schretlen

Vrijdag 30 augustus 2019, 9:28 uur

Vader zou vandaag honderd jaar zijn geworden. Mijn schoonmoeder werd op een kwartaal na nog twee jaar ouder. Een eeuw ronddolen op deze aardbol is allang geen sciencefiction meer. Olijfbomen kunnen zelfs een paar honderd jaar oud worden. En dan heb ik het nog niet eens over de oudste bomen ter wereld, die al een paar duizend jaar achter zich hebben. Zo halverwege hun bestaan werd in Bethlehem een zekere Jezus geboren.

‘Ik ben geboren in een boom maar die boom heeft men omgehakt,’ zingt de Franse zanger Guy Béart (1930-2015) in het schitterende, autobiografische chanson Qui suis-je?.

Zo voel ik dat ook. Bij mij haalde die boom net de leeftijd van 81 jaar. Wie heeft deze boom omgehakt? Het leven van vader heeft zich tegen hem gekeerd. Hij takelde in geestelijk opzicht af. Dementeerde zoals dat keurig heet. Ik schrijf er niet graag over.

Gelukkig bleef in de diepte van vader nog het kaarsje branden dat ooit in mij het levensvuur deed ontbranden. Kort voor zijn overlijden kwam vader moeizaam uit zijn stoel overeind om mij te omhelzen. Dat had hij nooit eerder gedaan. In mijn kindertijd kreeg ik altijd een kruisje van hem op mijn voorhoofd. Nadien bleef het bij woorden. Maar naarmate het dementeringsproces vorderde, kwamen woorden steeds verder buiten zijn bereik te liggen. Had ik mij een beter afscheid kunnen wensen?

Wie heeft de boom die zo belangrijk was in mijn bestaan omgehakt? Voor het zover was is er tweemaal flink aan geknaagd. Vader moet dat hebben beleefd als onverdiende aanslagen, niet alleen op zijn frêle lichaam maar ook op zijn waardigheid. Beide keren werd hij opgenomen in een ziekenhuis. De eerste keer was dat het ziekenhuis waaraan hij als hoogleraar kindergeneeskunde was verbonden. Van beide opnames zijn mij weinig herinneringen bijgebleven. Vader wilde namelijk liever niet dat ik bij hem op bezoek kwam. Dat vond ik best wel pijnlijk. Als huisarts ging ik wekelijks patiënten in ziekenhuizen opzoeken.

Wie heeft de boom die zo belangrijk was in mijn bestaan omgehakt?

Slechts één keer ben ik tijdens een opname bij vader geweest. Dat was kort nadat hij een ingrijpende operatie had ondergaan. Ik herkende hem nauwelijks en schrok vooral van de angst in zijn ogen. “Ze begluren mij hier”, herhaalde hij om de paar minuten. “Wie begluren jou?”, vroeg ik. “De zusters en broeders op deze afdeling”, antwoordde hij. Wanneer ik dit als huisarts bij een patiënt had meegemaakt, was direct duidelijk dat er een delier dreigde. Maar mijn ‘doktersknop’ stond uit. Het kwam niet eens in mij op. Ik was zo van slag dat ik op de terugweg naar huis tegen een verkeerszuiltje op een vluchtheuvel ben aangereden.

Ik heb het tot nu toe zonder ziekenhuisopname gered. Maar ik weet van mijzelf dat ik precies als vader zou reageren. Natuurlijk is er geen reden voor maar ik zou mij jegens mijn kinderen en misschien wel jegens iedereen rot schamen om daar als patiënt te liggen. Ik kan er niet tegen om mijn autonomie te verliezen. Mijn schoonmoeder verbleef heel lang in een verpleeghuis en kon daar redelijk goed mee omgaan. Zij wilde juist elke dag bezoek!

Niemand heeft het ongemakkelijke van een ziekenhuisbezoek zo voortreffelijk verwoord als Wisława Szymborska (1923-2012) in het gedicht Verslag uit het ziekenhuis (1967)**. Ik denk dat veel mensen zich hierin zullen herkennen en misschien biedt dat troost.

Verslag uit het ziekenhuis

We lootten om wie hem zou gaan bezoeken.
Ik verloor en stond op van ons vaste tafeltje.
Het bezoekuur van het ziekenhuis zou zo beginnen.

Hij antwoordde niet, toen ik hem begroette.
Ik wilde zijn hand pakken – hij trok hem terug,
als een hongerige hond die zijn bot bewaakt.

Het leek of hij zich schaamde, nu het einde kwam.
Ik weet niet wat je dan moet zeggen.
We keken als op een fotomontage langs elkaar heen.

Hij vroeg mij niet te blijven, ook niet om te gaan.
Hij vroeg naar niemand van ons tafeltje.
Niet naar jou, Bolek. Niet naar jou, Tolek. Niet naar jou, Lolek.

Ik kreeg hoofdpijn. Wie ging hier dood voor wie?
Ik prees de geneeskunde, de drie viooltjes in het glas.
Ik vertelde van de zon en stokte.

Wat goed dat er trappen zijn om af te rennen.
Wat goed dat er deuren zijn die open kunnen.
Wat goed dat jullie aan tafel op me wachtten.

De lucht van ziekenhuizen maakt me misselijk.

Wisława Szymborska, Uit Einde en begin
Vertaald door Gerard Rasch

Vader zou vandaag honderd jaar zijn geworden, maar gelukkig mocht hij na een bewogen leven van acht decennia in dienst van medemensen verkassen naar de hemel. Daar geloofde hij heilig in. Zelf vind ik de hemel een grandioze uitvinding. Want hoe moet je anders zo veel aardse ellende rechtvaardigen en compenseren?

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*