Zwart oefenen

Wanneer u niet van poëzie houdt en de poëzieweek – die nog tot 4 februari duurt – u geheel onverschillig laat, moet u beslist eens een paar gedichten van Herman de Coninck (1944-1997) gaan lezen. Dat hoeft u niets te kosten want een kleine selectie uit zijn bundels staat op een speciaal aan hem gewijde website, en op YouTube vindt u de dichter zelf aan het woord ter gelegenheid van zijn 35ste verjaardag:

http://www.youtube.com/watch?v=18yiiB3h4bc

Ik reik u één gedicht aan:

1994
Magda

Ze wou te snel opnieuw alles kunnen, na haar infarct,
en daar hield ze een maand ritmestoornissen
aan over en nachten van luisteren naar haar hart
en oefeningen om man en kind te gaan missen

en als ze haar ogen sloot oefende ze zwart.
En dat is dan nog de goede dood, de niet
te lange. Leven, je kunt er niet in dan door
geboorte. En je kunt er niet uit dan door dood,

en daartussenin zit je gevangen.
Dat zeggen we niet. Weet je nog dat?
zeg ik, blij dat ik met haar mag zwijgen

en dezelfde moeilijke moeder mag hebben gehad
die van ons gemakkelijke kinderen maakte, en nu
dezelfde angst. Vroeger duurt het langst.

Zeer uiteenlopende muziekstijlen worden uitgeschreven in hetzelfde notenschrift. Binnen elke stijl zijn er weer musici met een eigen herkenbaar geluid. Taal wordt uitgeschreven in woorden. Identiek aan ‘muziekstijlen’ zijn er ook ‘taalstijlen’ en één hiervan is poëzie. Herman de Coninck excelleert in poëzie die heel dicht op de huid ligt maar die toch wezenlijk anders aanvoelt dan wanneer iets uit het dagelijks leven – dé bron voor inspiratie voor deze dichter – in proza zou worden uitgedrukt. Vergelijk een dokter die zijn hand over de huid laat glijden met een streling. Het is niet moeilijk om je af te stemmen op de juiste frequentie om ontvankelijk te zijn voor de poëzie van deze Belgische dichter.

‘Magda’ werd geschreven in het jaar dat de bundel met dit sonnet verscheen: 1994. De titel van de bundel luidt Schoolslag en deze is ontleend aan het gedicht ‘Meisje’ dat eindigt met de regels:

Laat je strelen, kom.
Ik houd ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.

Zoals blijkt uit de laatste strofe is Magda de zus van Herman de Coninck. Zij figureert als een uit proporties gegroeid bruidje op een communiefoto in het boek Er is niets te zien en dat moet je zien (2014) over de jeugd van beiden in Mechelen. Zowel de titel als die moeizame jeugd – vader was pedofiel en moeder was gekluisterd door haar geloof – zijn ook terug te vinden in Schoolslag.

De eerste vijf regels beschrijven wat menige patiënt doormaakt na een infarct. Herman de Coninck geeft taal weer kracht en rijkdom, want hoe clichématig klinkt het wanneer een dokter zegt dat de patiënt(e) na een infarct in een zwart gat viel? In de volgende drie regels komt tot uitdrukking hoe een infarct existentieel een aardbeving teweeg brengt en een patiënt(e) laat stilstaan bij het leven. De laatste zes regels zoomen in op de gedeelde wortels van dat leven.

Schoolslag was de laatste bundel die tijdens het leven van Herman de Coninck  verscheen, en de alomvattende aanwezigheid van de dood hierin suggereert dat de dichter zelf ook bezig was met het ‘zwart oefenen’. In haar boek Taal zonder mij (1998) beschrijft zijn echtgenote Kristien Hemmerechts zijn plotse dood “op een terrasje van een café in Lissabon”. Dat was op 22 mei 1997. Ze was hierbij zelf niet aanwezig maar citeert Anna Enquist:

“Hij ging zitten en trok z’n jasje uit. Ik nam een stoel dicht naast hem want ik dacht dat hij flauw zou vallen. (…) De vrouw van het café kwam vragen wat we wilden hebben, ik vroeg of ze een glas water wilde brengen. Herman zag steeds bleker en ik riep tegen de vrouw dat zij een dokter moest bellen. Toen begon Herman op de grond te glijden. Zijn ogen draaiden weg en hij schokte geweldig met zijn spieren. (…) Er was een vrouw gestopt die verpleegster bleek te zijn. Zij sprak Engels. Ze knielde tegenover mij, ik vroeg haar om Hermans andere pols te voelen. We keken elkaar aan en wisten allebei dat het voorbij was. (…) Herman heeft geen pijn gehad, en ook leek hij mij niet angstig. (…) Ook had hij het niet benauwd, hij greep niet met de handen naar zijn borst of naar zijn keel, maar lag heel vredig daar op de kleine witte stenen van het plaveisel, haast alsof hij ging slapen.”

Delen