Beroep onder de loep – veearts

Sjoerd Bruil denkt dat je als veearts wel een mensenmens moet zijn, want anders kom je het erf niet op.

Tekst: Wout de Bruijne | Beeld: De Beeldredaktie/Martin Hogeboom

 

Veel kinderen willen later dierenarts worden omdat ze gek zijn op dieren. Veearts Sjoerd Bruil (32) koos om een heel andere reden voor zijn beroep. Hij wilde niet binnen werken. “Maar”, voegt hij er lachend aan toe, “ik heb uiteraard ook wel iets met dieren. Ik ben met veel plezier opgegroeid op een boerderij.” Bruil vindt het vooral leuk om rond te rijden en verschillende veehouders te bezoeken. Je hebt daarmee volgens hem wat uitgebreider persoonlijk contact met de cliënten – de dieren zijn de patiënten – dan wanneer je die slechts 10 minuten in je spreekkamer ziet.”

Dat contact met de veehouders blijkt veel belangrijker te zijn dan Sjoerd Bruil tijdens zijn studie had vermoed. “Je kunt nog zo goed zijn in je werk met dieren, maar als de eigenaars je een hork vinden, dan kom je het erf niet op. Je moet ook echt wel een ‘mensenmens’ zijn.”

‘Op kinderboerderijen ben je extra alert op zoönosen’

Bruil komt ook geregeld op een ander soort boerderijen. “We komen ook op kinderboerderijen. Daar kijk je niet alleen naar de gezondheid van de dieren, maar je bent ook extra alert op het risico van zoönosen. Hoe zijn de hygiënemaatregelen, zijn zieke dieren afgezonderd, zijn ze gevaccineerd tegen Q-koorts?”

Een veearts maakt volgens Sjoerd vaak lange dagen. “We hebben een grote, drukke praktijk en veulens en kalfjes houden zich niet aan jouw arbeidsuren. Die komen ook ’s nachts ter wereld en als daarbij een keizersnee nodig is, dan word jij gebeld. En de volgende ochtend moet je er gewoon weer zijn. Dat hoort bij het vak, maar wat mij betreft geldt de uitspraak: als je doet wat je leuk vindt, hoef je nooit te werken.”