‘Buy British!’

Ooit was Groot-Brittannië een van Europa’s toonaangevende ‘autolanden’. Maar wat is er van die Britse auto-industrie overgebleven?

Tekst: Bart van den Acker

McLaren

In de jaren zeventig was ‘Buy British’ de slogan die de Britten ertoe moest bewegen een auto van eigen bodem te kopen om zo de zieltogende auto-industrie te redden. Britten zijn niet gespeend van humor en dus ging men al rap met de kreet aan de haal. Zo herinner ik me een Mini met daarop de sticker ‘I bought British! (Someone had to)’. Ook gezien: ‘The parts falling off this car are of finest British quality’.

Een lange rij trotse merken is de afgelopen decennia ter ziele gegaan; Austin, Morris, MG, Triumph, Rover, Hillman, Sunbeam, noem maar op. Gone, door een combinatie van factoren. Het Rootes-concern bijvoorbeeld (Hillman, Sunbeam, enzovoort) is compleet verdwenen. In de British Leyland Motor Company moesten merken samenwerken die eerder elkaars concurrenten waren. Het gevolg: inefficiëntie en modellen die veel te lang in productie bleven omdat er te weinig geld was voor de ontwikkeling van nieuwe auto’s en nieuwe productiemethoden.

Kortom: de concurrentiepositie holde achteruit. Illustratief hiervoor is de Mini: het was de bedoeling dat de Mini een jaar of acht in productie bleef, maar dat werd ruim veertig jaar. Die Mini was bij zijn komst bovendien zó vernieuwend, dat vrijwel alle nadien verschenen compacte auto’s de basisopzet van de Mini overnamen. Daarnaast gingen de totaal gedemotiveerde Britse arbeiders al in staking als bij wijze van spreken de melk voor de thee zuur was. Uiteindelijk daalde de kwaliteit in de jaren zeventig tot een abominabel niveau, zelfs voor toenmalige maatstaven.

In Duitse handen

In 1981 trad John Egan aan als nieuwe topman bij Jaguar. Hij gaf alle directie- en stafleden direct een nieuwe Jaguar. Zo kwamen zij erachter wat hun klanten moesten doormaken, met auto’s die steeds uitvielen. Jaguar heeft het uiteindelijk gered en misschien wel om die reden.

Met de Britse merken die alles overleefden, zijn ook dingen gebeurd die trotse Britten met pijn in het hart hebben moeten accepteren. Zo zijn de kroon-juwelen Rolls-Royce en Bentley in Duitse handen terechtgekomen, respectievelijk die van BMW en Volkswagen. Er bestaat een prachtig boek over: The kidnap of the Flying Lady.

 

Klik op de afbeelding voor meer foto’s

Jaguar en Land Rover zijn na wat omzwervingen nu in handen van Tata uit de voormalige kolonie India. Ze bestaan nog, ze draaien op volle toeren en ze bieden werk aan vele duizenden Britten. En ook Vauxhall bestaat nog, al zijn de modellen identiek aan Opels en worden de meeste in Duitsland gebouwd, weliswaar met een Engels logo erop.

Japanse merken sprongen in de opengevallen gaten: Toyota, Nissan en Honda bouwen in Engeland al jaren auto’s voor de Europese markt, naar Japanse kwaliteitsnormen.

Ondanks het kleddernatte klimaat zijn in geen enkel land zo veel ‘convertibles’ gebouwd als in Engeland. Het was ook een land met veel kleine, specialistische automerken die vooral veel sportwagens bouwden. Van die kleine merken zijn er diverse nog steeds actief. Aston Martin bijvoorbeeld, het merk dat zo veel aan James Bond heeft te danken, maakt nog steeds adembenemend mooie auto’s. Het wás ooit van Ford, maar is sinds 2007 weer onafhankelijk, al bezit Daimler- Benz nu 5 procent van de aandelen.

Het van oorsprong Britse Lotus heeft al veel eigenaren gekend en is net overgegaan van Maleisische in Chinese handen, maar maakt nog steeds volbloed sportwagens en doet ook ontwikkelingswerk voor andere merken. McLaren is een Brits merk, hoewel naamgever Bruce McLaren uit Nieuw-Zeeland kwam. De tak die pas sinds 2013 sportwagens voor straatgebruik maakt, is in de nichemarkt voor supersportwagens ongekend succesvol. Deskundigen schatten dat het merk op termijn 4.500 auto’s per jaar gaat bouwen.

Veel Britser dan Morgan ten slotte wordt het niet. Het merk bouwt ‘basic’ sportwagens en hoewel er de laatste jaren wat modernisering is geweest, volgt het belangrijkste model nog steeds de constructie en productie zoals die in 1936 is vastgesteld. Sinds 2013 zit er geen lid van de familie Morgan meer in de directie en dat heeft veel ophef veroorzaakt. Begrijpelijk. Er zijn dingen waar je in Engeland ondanks alles nog steeds niet aan mag tornen. Tradities bijvoorbeeld.

Do you remember?

Naast de Mini was ook de Morris Minor – Engelands antwoord op ‘een auto voor het volk’ – in ons land populair. Ze zijn hier zelfs nog geassembleerd, net als onder meer de Mini trouwens. Die Mini kende ook grotere varianten, zoals de ook hier succesvolle Austin/Morris 1100 en 1300. En wie herinnert zich nog de MG B en de Triumph Spitfire als betaalbare, volbloed tweezits sportwagens met open dak? Rover behaalde met het model ‘SD1’, oftewel 3500, nog de titel ‘Auto van het Jaar 1977’. Geen succes in Nederland, maar nog bij velen op het netvlies: de Reliant Robin, met één wiel voor en twee achter: