Dokter aan boord – WONCA

Na een oproep eerder dit jaar om over uw ervaringen als ‘Dokter aan boord’ te vertellen, stroomde de redactiemailbox van Arts en Auto vol. Van een extra tussenlanding tot een paracetamolletje, u maakt het allemaal mee. Dit is de bijdrage van Piet Mout. Klik hier voor andere vliegverhalen.

 

Ooit hebt ik het genoegen gesmaakt een workshop te mogen leiden op de WONCA. Mijn werkgever was zelfs bereid mijn reis- en verblijfskosten te betalen. Het congres werd gehouden in een van de culturele lustoorden van Europa dus in het kader van de optimalisatie van de investeringen heb ik er een aantal vakantiedagen aan vast geknoopt en mijn vrouw meegenomen op de reis.

Voor de vlucht werden ons stoelen achterin in het vliegtuig toegewezen, waarbij ik helaas aan het gangpad terecht kwam. Helaas, want als hobbypiloot zit ik graag aan het raam om zicht te houden op de buitenwereld en de prestaties van mijn professionele collega-piloten.

Halverwege de vlucht passeerde mij, op zijn weg naar de pantry of toiletten helemaal achterin, een ruim middelbare, kleine man die rond zijn zwaartepunt ook de meeste kilogrammen had geaccumuleerd. Een hoefijzervormige halo van haar hield krampachtig stand op zijn overigens kale schedel en was er debet aan dat de leeftijdsinschatting ‘ruim middelbaar’ hem enig onrecht deed. Na een paar minuten keerde hij weer terug vanuit de staart van het vliegtuig, klaar met wat hij daar had gedaan.

Toen hij bij mijn stoelenrij aankwam was hij er helemaal klaar mee. Hij zeeg ineen en maakte een harde ruglanding in het smalle gangpad. Zijn voeten ter hoogte van de rugleuning van de rij voor mij, zijn middel naast de stoelenrij daarvoor en zijn hoofd weer een rij verder richting de neus van het vliegtuig. Vanuit mijn positie kon ik goed waarnemen dat zijn gelaat rood-blauw was aangelopen, bespeurde ik geen enkele ademactiviteit van de ongelukkige en beperkte de activiteit van de hem flankerende medepassagiers zich tot nog geconcentreerder verdiepen in de literatuur op hun schoot of de medepassagier naast hen, zodat zij in ieder geval voor zichzelf aannemelijk konden maken dat ze niets hadden bemerkt van de laatste adem die zojuist direct naast hen was uitgeblazen.

Ik kon mijzelf niet op eenzelfde manier om de tuin leiden. Mijn inactiviteit werd verklaard door de hoop, die ijdel bleek, dat anderen eerder dan ik hun verantwoordelijkheid zouden nemen. Vluchtgedrag waarmee ik niet ver kwam.

Als arts heb je in dit soort situaties ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Dus het was terecht dat ik uiteindelijk als eerste (en enige) uit mijn stoel kwam en mij twee rijen langs het lichaam naar voren manoeuvreerde om, geheel volgens de regels, de onbekende stevig bij de schouder te nemen en aan te roepen. Als dokter voegde ik daar de palpatie van de carotis aan toe. Allemaal negatief. Eigenlijk dus een reden de reanimatie te starten maar omdat ik in een niet-heroïsche tak van de geneeskunde mijn carrière heb gemaakt, moet je daarvoor toch een stevig hobbel nemen. Nog maar eens stevig in zijn trapezius geknepen en hem aangeroepen en ziedaar, de ademautomaat ging weer werken. Hoewel een pols nog niet palpabel was en de man nog angstwekkend blauw was, sloeg hij enige momenten later toch de ogen op en keek mij met een geloken wat-gebeurd-hier-blik aan. Kort daarop was er ook weer een, weliswaar trage, maar duidelijk palpabele pols.

Een vasovagale collaps was mijn conclusie. Een conclusie die enige minuten later het slachtoffer, dat zich ontpopte als een collega, met mij deelde. Mijn collega gaf uiting aan zijn schaamte door weer het isolement van het toilet te zoeken dat hij met veel tegenzin, op mijn verzoek, niet afsloot. De stewardess, die mij inmiddels lieftallig assisteerde, achtte het niet nodig om het aansterken te bevorderen met wat zuurstof. En waarom ook? Het zou het drama en het gezichtsverlies alleen maar hebben vergroot en zij wist, wat ik later pas ontdekte, dat 80-90% van de syncopes in het vliegtuig vasovagaal veroorzaakt worden en voor het herstel daarvan is zuurstof geen absolute noodzaak. Zij wist ook, en dat deelde ze me in vertrouwen en op gedempte toon mee, dat de patiënt deel uitmaakte van een Noorse delegatie van 17 huisartsen, allemaal op weg naar de WONCA. En zij waren niet de enigen. Bijna de helft van de reizigers op de passagierslijst was arts. Huisartsen, uit verschillende noord-Europese landen.

Toen voelde ik me echt het lulletje. Links ingehaald door de stewardess met betrekking tot de epidemiologie van de syncope op 10.000 meter én door mijn collega’s die allemaal beter en sneller dan ik geconstateerd hadden dat er nu geen plaats was voor levensreddende handelingen, maar dat wat tijd en een glaasje water ook voldoende waren.