‘De weken op zee had ik nooit willen missen’

Op 1 april 1958 stapte de toen 28-jarige verpleegster Ciska van den Borg-Meurer (88) aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt. Het passagiersschip vertrok met vierhonderd emigranten naar Australië, voer van daaruit naar Indonesië en keerde terug met een grote groep Nederlanders die van Soekarno het land moest verlaten. “Het was een dorp op het water.”

Tekst: Judith van der Stelt | Beeld: De Beeldredaktie/Robin Britstra

Het hospitaal was op het bovenste dek, evenals mijn hutje. Als ik de deur openzette, keek ik zo uit over zee, fantástisch. In een hut verderop sliep een andere verpleegkundige. Tussen ons in lag de kinderzaal waar wij samen toezicht op hielden. Een derde collega deed de polikliniek en een vierde ontfermde zich over patiënten die in hun hut verzorging nodig hadden. De enige broeder in ons team beheerde de apotheek. Naast het team van verpleegkundigen waren er twee artsen aan boord. Op de heenweg was ons werk tamelijk eenvoudig; op de kinderpoli verzorgden we vooral kleine wondjes. Maar halverwege de reis was er ineens een uitbraak van de mazelen, dus toen lag de zaal vol doodzieke kinderen. Sommigen moesten we in een koud bad dompelen om de koorts omlaag te krijgen, en alle kinderen kregen een inenting met gammaglobuline.

Vanuit Nederland voeren we naar Aden, een stad in het zuiden van Jemen. Ik vond het altijd leuk om met een van de andere verpleegsters van boord te gaan en zo’n havenstad te bekijken. Het was zo’n andere wereld, je keek je ogen uit.

Vanuit Aden voeren we verder over de Indische oceaan naar Fremantle, Zuidwest-Australië. Dat was een flink eind. We zagen twee weken niets dan water. Iedereen wordt dan een beetje gek. Er werden feestjes georganiseerd en taarten besteld bij de keuken; van alles om de monotonie een beetje te doorbreken.

“Wat ik het mooiste aan de reis vond, was dat het schip echt een wereld op zich werd; het was een dorp op het water. Helemaal onderin, in de buik van het schip, waren de keuken en de wasserij. Daar werkten hoofdzakelijk Chinezen. Ze wasten dagelijks je bezwete uniformen en voor een schijntje maakten ze grote schalen verrukkelijke saté, maar we zagen ze eigenlijk zelden.

Ook op het stille stuk tussen Australië en Indonesië, toen de passagiers het schip al hadden verlaten, deed iedereen nog enorm zijn best om het gezellig te maken. De koks zorgden voor prachtige buffetten en de scheepsband speelde dansmuziek.

‘Helaas was de geanimeerde sfeer van de heenweg vanaf Indonesië definitief voorbij’

Onze eerste stop in Indonesië was in Soerabaja, de tweede halverwege Java, bij Semarang. Omdat daar geen haven was, werden de passagiers in boten naar ons toegebracht. Daarna voeren we verder naar Tandjong Priok, de haven van Jakarta. Helaas was de geanimeerde sfeer van de heenweg vanaf Indonesië definitief voorbij. Logisch, want heen vervoerden we emigranten met een hoofd vol dromen en idealen, terwijl we op de terugweg mensen meenamen die hoofdzakelijk zorgen hadden. Ze werden door Soekarno weggestuurd vanwege de strijd met Nederland om Nieuw-Guinea.

De eerste dagen na ons vertrek werden er tientallen verstekelingen ontdekt, voornamelijk jonge Javanen die bij
het bevoorraden van het schip stiekem waren achtergebleven in het laadruim. Zij wilden dolgraag mee naar Holland om daar asiel aan te vragen. Ze waren ondervoed en hadden vaak ook wonden, maar ze moesten desondanks werken voor de kost. Meestal werden ze ingezet om de dekken te schrobben.

Tijdens de terugreis zijn er acht mensen overleden. Allemaal erg verdrietige verhalen. Ik herinner me een militair met zijn gezin. Die man was na de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië blijven wonen omdat hij getrouwd was met een inlandse. Ze hadden zes kinderen en nu waren ze onderweg naar zijn ouders. De man kreeg een hartstilstand aan boord. Daarna moest die vrouw met haar kinderen alleen naar haar schoonfamilie, terwijl ze de taal niet sprak en helemaal niemand kende. Gelukkig spraken sommige verpleegsters een paar woorden Maleis, die hebben geprobeerd haar zo goed mogelijk te begeleiden.

Slechts één overledene hebben we mee naar Nederland kunnen nemen, omdat ze kort voor aankomst overleed. De rest kreeg een zeemansgraf. Zo’n zeemansgraf was een bijzondere ceremonie. Om te beginnen werden de motoren stilgelegd. De stilte die dan volgde, was indrukwekkend. Verder droegen alle officieren hun zondagse uniform, wij ook. Er was een toespraak van de kapitein en van de dominee of pastor. Daarna was het een, twee, drie in godsnaam, waarna de kist via een glijbaan in zee verdween.

Overigens was zo’n zeemansgraf voor de machinisten altijd een spannend moment, want na afloop van de ceremonie moesten zij de motoren weer aan de praat krijgen. Dat was geen eenvoudige klus, want het schip was niet zo nieuw meer. Het gebeurde ook wel op andere momenten dat een motor ineens uitviel. Gelukkig waren de machinisten echte vaklui.

Voordat ik vertrok had ik één wens: ik wilde er even helemaal tussenuit. Nou, dat is méér dan gelukt

Wat de sfeer op de terugweg ook anders maakte, waren de psychiatrische patiënten. Wij kregen namelijk het complete krankzinnigengesticht van Semarang mee. Inclusief personeel, dat wel. Voordat de mensen aan boord kwamen, hadden de scheepstimmerlieden een aantal binnenhutten tot afdeling vertimmerd, inclusief sloten en hekken, zodat de patiënten niet uit konden breken. Wij hoefden niets met deze groep te doen, maar de goede patiënten zagen we wel iedere morgen bij ons op het dek om een uurtje te luchten. Daar stonden een pingpongtafel en een voetbalspel, dus dan konden ze even bewegen. Nog steeds achter een hek, dat wel.

Al met al heb ik ontzettend veel beleefd in die weken op zee. Het bleef wel beperkt tot één reis, want er was geen vacature, dus eenmaal terug aan wal ging mijn leven weer zijn gewone gang. Ik haalde mijn kraamaantekening in Leiden en ging tijdelijk aan de slag in een kraamkliniek. Na die tijd heb ik nog andere functies in de verpleging gehad, maar de weken op zee had ik nooit willen missen. Voordat ik vertrok had ik één wens: ik wilde er even helemaal tussenuit. Nou, dat is méér dan gelukt.