Dokters en meneren

Twee dagen voor haar studiereis van anderhalve week naar Rome toont dochterlief mij een egale roodbruine verkleuring aan de buitenkant van haar linker voorvoet. Zij heeft het geluk en soms de pech twee huisartsen – of juister geformuleerd: twee artsen in haar ouderlijk huis – te hebben: één van het type ‘laten we het even aanzien’ waarop minister Schippers zo dol is en de ander – dat ben ik dus – bij wie de combinatie van overbezorgdheid en dadendrang garant staat voor de werkgelegenheid in de zorgsector.

Ik dreun het rijtje op: dolor (pijn), calor (warmte), tumor (zwelling), rubor (roodheid) en functio laesa (functieverlies), kortom alle tekenen van een ontsteking zijn aanwezig, hup we gaan naar de – sinds kort bij het ziekenhuis ondergebrachte – huisartsenpost. De dienstdoende collega krijgt een 10-plus: zij toont grote betrokkenheid en haar diagnose – erysipelas – bevestigt dat ik terecht aan de bel heb getrokken. De belendende apotheek, waar de assistente ondanks de drukte alle tijd voor ons neemt, levert voor tien dagen flucloxacilline.

Om dochterlief in het woud van medische informatie enig houvast te geven, wijs ik haar als vader en arts op de onvolprezen standaard ‘Bacteriële huidinfecties’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap. “Papa, zou het geen erysipeloïd kunnen zijn,” vraagt zij mij even later. Nooit hiervan gehoord maar de aandoening blijkt echt te bestaan; kijk maar naar de standaard, daar staat erysipeloïd twee vakjes onder erysipelas. Bij nader inzien heeft onze dochter ook haar twijfels over mijn perceptie van de afwijkende huidskleur. Wat ik waarneem als roodbruin is meer bruinrood en nog meer bruin. “Volgens mij is het een afdruk van mijn Birkelstock-sandaal,” luidt haar eigen diagnose. Zou eigenlijk wel kunnen denk ik, maar ik durf haar niet direct gelijk te geven.

Hoeveel drammende pa’s heb ik als hulpverlener moeten incasseren en nu ben ik zelf zo’n opgefokt mannetje

Een etmaal later concludeert het medisch huisteam samen met de patiënte dat de aandoening in elk geval niet is verslechterd. Maar ’s avonds wekken bultjes op de romp alsnog beroering: zou er sprake kunnen zijn van een allergie voor flucloxacilline? “Laten we even tot morgenochtend afwachten,” stelt de ene huisdokter voor, maar de andere ziet de bui al hangen en doet opnieuw een beroep op de dienstdoende collega. Na overleg krijg ik van de assistente te horen dat er wordt overgegaan op erythrocine.

Consternatie bij de apotheek: men beschikt niet meer over voldoende capsules, zelfs in het ziekenhuis is de voorraad op. Dan doemt er nog een probleem op: de dokter heeft een kuur van een week voorgeschreven, terwijl zijn collega daags tevoren ons op de huid had gedrukt dat bij erysipelas het medicament tien dagen lang moet worden geslikt. De assistente belt geprikkeld de dienstdoende arts, die nog geprikkelder reageert. ‘Omdat meneer het wil’, wordt de kuur met drie dagen verlengd.

Met een rotgevoel rijd ik in het stikdonker over beregende wegen huiswaarts. Hoeveel drammende pa’s heb ik als hulpverlener moeten incasseren en nu ben ik zelf zo’n opgefokt mannetje. Vol schuldgevoel sla ik er de NHG-standaard op na. Daarin worden tot mijn verbazing bij een overgevoeligheid voor flucloxacilline geen erytrocine maar twee andere antibiotica aanbevolen. Drie uur voor dochterlief naar het vliegveld gaat, neem ik contact op met de eigen huisarts en wordt voor één hiervan een recept uitgeschreven. De dokter laat zijn assistente wel tegen mij zeggen dat erysipelas ook geneest “met rust en koeling”, maar “dat zal meneer wel weten.”