Huisarts van twee panda’s

Jan Bos: “Enorme hoeveelheid bamboe vormt een uitdaging”

021740-01

Jan Bos (61) is dierenarts in Ouwehands Dierenpark in Rhenen. Hoogstwaarschijnlijk krijgt hij vanaf dit voorjaar ook de langverwachte Chinese reuzenpanda’s onder zijn hoede. Bos is van jongs af aan zeer breed geïnteresseerd op het gebied van fauna en ziet uit naar de zeldzame beren. “Ik ben dierenarts voor alle dieren.”

Tekst: Wout de Bruijne | Beeld: De Beeldredaktie/Raphael Drent

“Meestal zit Baku mij te begluren als ik hier aan het werk ben. De orang-oetans kunnen vanuit hun verblijf net in de operatiekamer van mijn kliniek kijken. Baku is de fokman van de groep en hij kampte met chronische luchtwegproblemen. Afgelopen december moest ik hem onder algehele narcose brengen voor onderzoek en röntgenfoto’s. Ik blies hem een injectie in met een pijpspuit. Dat is hij niet vergeten. Gelukkig is hij nu vrijwel genezen en hoeft hij geen medicatie meer, maar hij houdt me in de gaten. Dat laat hij ook merken als ik zijn verblijf passeer.

Zo’n reactie krijg ik natuurlijk niet van de vogelspin bij wie ik vorig jaar een hele poot moest amputeren vanwege een ernstig ontstoken knie. Er groeit later weer een nieuwe poot aan. Ik had nog niet eerder een insect geopereerd, maar dat soort uitdagingen draagt bij aan de afwisseling in mijn beroep. Ik zeg weleens dat ik dierenarts ben voor alle dieren.

Als kind wilde ik veearts worden. Ik ben met veel dieren opgegroeid op een melkveehouderij bij Bolsward. Maar tijdens mijn studie diergeneeskunde ontwikkelde ik een bredere interesse in fauna dan alleen landbouwhuisdieren.

Na mijn studie werkte ik onder meer in een gemengde praktijk, in het zeehondencentrum in Pieterburen en deed ik een residency stage op de Davis University in Californië. In 1993 volgde ik Andries van Foreest op als dierenarts in Ouwehands Dierenpark in Rhenen.

Ik werk 28 uur per week in de dierentuin. Daarnaast heb ik een eigen kliniek voor alle dieren. De combinatie is afwisselend en goed te doen. In Ouwehand heb ik niet zo heel veel patiënten; je werkt daar zo veel mogelijk preventief.

We zijn met ongeveer twintig dierentuindierenartsen in Nederland. Het verloop is klein, de meesten, onder wie ikzelf, willen doorwerken tot hun pensioen of tot het fysiek niet meer gaat. Het is een gewilde baan. Ik heb een student weleens horen grappen dat je een van ons moet doodschieten om een vacature in de krant te krijgen.

Ik heb een student weleens horen grappen dat je een van ons moet doodschieten om een vacature in de krant te krijgen

In Nederland zijn we honkvast, maar dat geldt niet voor onze dierentuincollega’s in de Verenigde Staten. Zij rouleren eenmaal in de vijf jaar, onder meer om hun werkervaring te vergroten. ‘Onze club’ komt gemiddeld zo’n drie keer per jaar samen om ervaringen uit te wisselen. Ook mondiaal houden de dierentuindierenartsen elkaar op de hoogte. Momenteel zijn we bezig met toepassingen van UV-verlichting voor exotische dieren. Het wordt steeds duidelijker hoe belangrijk UVB-straling is voor de gezondheid en het welbevinden van deze dieren.

Huisvesting in dierentuinen wordt steeds natuurgetrouwer. We geven dieren meer ruimte en voeren ze anders dan vroeger. Niet altijd op vaste tijden, vaker onverwacht en minder hapklaar, ze moeten er soms moeite voor doen. Er komen, ook internationaal, meer huisvestingsnormen. Ik kan me voorstellen dat er in de toekomst ook meer regels komen voor het houden van bepaalde huisdieren. Neem bijvoorbeeld de grijze roodstaartpapegaai die in Nederland thuis wordt gehouden. De vogels zitten vaak alleen in een kooi, terwijl ze in de natuur in groepen leven. Zij zouden in gevangenschap beter af zijn met meer soortgenoten of als koppel in een volière.

Natuurlijk kun je daarover discussiëren. Ik ben ook geen voorstander van zo’n vogel alleen in een kooi. Maar ik ben ook niet voor rigoureus ander beleid; eigenaren moeten de tijd krijgen. Die papegaai thuis kan wel 60 jaar worden en vaak heeft de eigenaar de vogel gekregen na het overlijden van oma. Dat is voor mij dan een gegeven en daar werk ik als dierenarts mee. Als een dier medische hulp nodig heeft, geef ik die. Tegelijkertijd geef ik adviezen over de verzorging.

Ik ben straks ook de ‘huisarts’ van de twee reuzenpanda’s die dit voorjaar in Ouwehand komen wonen. Hopelijk zullen ze mijn medische hulp nooit nodig hebben en gelukkig zijn het qua verzorging niet de meest moeilijke dieren. Wel een uitdaging vormt de enorme hoeveelheid bamboe die de dieren eten. Panda’s zijn daarin ook nog kieskeurig. Er zijn verschillende soorten bamboe en welke favoriet is, verschilt per beer.

Een andere uitdaging is het nageslacht. De Chinezen lenen ons – vooralsnog voor vijftien jaar – een koppel en zouden graag zien dat daar jongen uit voortkomen. Die gaan dan op termijn naar China, want ze zijn, net als hun ouders, eigendom van dat land.

‘Voortplanting wordt een uitdaging; panda’s zijn niet bepaald vurige minnaars’

Onze voorkeur gaat uit naar voortplanting op de natuurlijke manier, maar als dat niet lukt gaan we over op kunstmatige inseminatie. Het wordt een uitdaging, want panda’s in ‘gearrangeerde huwelijken’ kunnen niet altijd met elkaar overweg. Bovendien zijn deze beren, familie van de bruine beer, niet bepaald vurige minnaars. Het vrouwtje is maar drie dagen per jaar paringsbereid. We verwachten dat de reuzenpanda’s veel bezoekers uit binnen- en buitenland zullen trekken. De dieren zijn populair en er circuleren allerlei grappige pandafilmpjes op internet. Ze zien er aaibaar uit en het zijn ook niet de meest agressieve dieren, maar het blijven wilde dieren en zo behandelen wij ze ook.

We hebben hier een zogenaamd protected-contact principe, er is alleen via het hekwerk contact met de dieren. Ze worden door middel van beloning getraind om voor bijvoorbeeld een bloedafname naar het hek te komen. We komen tegenwoordig zo min mogelijk in de verblijven. Je kunt over en weer ziekten uitwisselen, het is minder natuurlijk en er zijn onberekenbare dieren. Mijn vriend Baku vindt het allang best, die ziet mij liever gaan dan komen.”