‘Ik zal altijd van de sport blijven houden’

Op je hoogtepunt stoppen met topsport. Niet velen doen het. Arts en roeier Maaike Head (33) wel. Vorig jaar haalde ze goud bij de Olympische Spelen in Rio de Janeiro op het onderdeel lichte dubbel twee en onlangs maakte ze bekend vol voor haar carrière als arts te gaan. “Als 6-jarig meisje wilde ik al dokter worden.”

Tekst: Richard Hassink | Beeld: De Beeldredaktie/Peter Strelitski

 

“Topsport heb ik altijd weten te combineren met school en studie. Als junior was ik een verdienstelijk langebaanschaatser. Bij het WK junioren in 2003 won ik samen met Jorien Voorhuis en Mariska Huisman goud op de ploegenachtervolging. Drie jaar later raakte ik geblesseerd en stopte ik met schaatsen.

Toen ik geneeskunde ging studeren in Rotterdam, wilde ik graag recreatief sporten. Via-via kwam ik in 2006 terecht bij roeivereniging Skadi. Ik bleek talent te hebben voor het roeien en had een fysieke voorsprong door mijn jarenlange carrière als schaatser. Al snel roeide ik wedstrijden.

Pas in mijn derde jaar als roeier kwamen er buitenlandse trainingsstages bij kijken. In de doctoraalfase was dat allemaal nog goed te combineren, maar tijdens de co-schappen werd dat steeds moeilijker. De hele dag in het ziekenhuis rondlopen en dan ’s avonds trainen, viel me steeds zwaarder. En in het weekend kwamen daar nog eens vier trainingen bij. Toch heb ik het altijd met veel plezier gedaan en ben ik tijdens mijn co-schappen twee keer wereldkampioen geworden. Misschien komt dat wel doordat ik de roeiwereld zo ontzettend leuk vind.

Uniek aan de roeisport is dat het studentenleven zo’n belangrijke rol speelt. Al was ik topsporter, ik zat ook in diverse commissies en pakte in de beginjaren heel wat feestjes mee. Ook in het dispuut was het altijd erg gezellig. In de schaatswereld heerst er niet zo’n sfeer. Wat dat betreft past het roeien heel goed bij mij.

In 2012 deed ik mee aan de Olympische Spelen in Londen. Met verenigingsgenoot Rianne Sigmond werd ik achtste in de lichte dubbel twee. Dat smaakte naar meer, vooral omdat ik nog niet alles uit mijn talent had gehaald. Nadat ik in 2015 mijn studie had afgerond, heb ik me volledig toegelegd op het roeien met als doel een medaille op de Olympische Spelen in Rio.

‘Het was een gekkenhuis, gelukkig kon ik af en toe mijn witte jas aantrekken’

Met Ilse Paulis [23 jaar en geneeskundestudent, red.] wonnen we afgelopen jaar alles wat we roeiden en zo ook de finale in Rio. De maanden erna waren een gekkenhuis, met huldigingen, sponsoractiviteiten, presentaties en topsportgala’s. Gelukkig werkte ik sinds mijn afstuderen zondagsdiensten op de spoedeisende hulp van het VUmc en kon ik af en toe een witte jas aantrekken. Op zo’n moment was ik niet Maaike de topsporter maar Maaike de arts. Heerlijk.

Soms word ik herkend door patiënten en dan feliciteren ze me. Dat voelt altijd erg dubbel. Natuurlijk ben ik trots op mijn prestatie maar ik loop er niet mee te koop. Bovendien heb ik op zo’n moment een heel andere functie.

Ik ben nu 33 en wil heel graag chirurg worden. De opleiding duurt zes jaar en ik ben al aan de oude kant, dus ik kan het solliciteren niet nog langer uitstellen. Sinds kort werk ik als anios op de afdeling heelkunde van het VU-ziekenhuis. Over een tijdje wil ik een gooi doen naar een opleidingsplek.

Ik hoop dat mijn sportcarrière in mijn voordeel werkt, want ik merk aan chirurgen dat ze topsport waarderen. En het past ook wel bij de beroepsgroep; chirurgen zijn toch wat competitiever ingesteld dan andere medici. Wat ik uit mijn sport mee kan nemen, is de drang naar perfectie. Je moet jezelf elke dag verbeteren, en dat geldt ook voor het chirurgenvak.

‘Wat ik uit mijn sport mee kan nemen, is de drang naar perfectie’

Dokter heb ik altijd al willen worden. Als meisje van 6 keek ik naar de Australische tv-serie Flying Doctors, over artsen die naar patiënten in de bush vlogen. Geweldig vond ik dat. Als de kat thuiskwam met een dode muis, dan ging ik zo’n beestje ontleden, uit pure nieuwsgierigheid. Toen al schijn ik tegen mijn ouders te hebben gezegd dat ik dokter wilde worden. Die ambitie bleef ook tijdens mijn middelbare school bestaan, dus de studiekeuze was makkelijk. Helaas werd ik de eerste keer uitgeloot. Bij de tweede keer, nadat ik mijn bachelor gezondheidswetenschappen in Maastricht had behaald, was het gelukkig wel raak.

Mensen in mijn omgeving begrijpen goed dat ik er nu voor kies om te stoppen met roeien. Misschien komt dat wel doordat roeiers er vrijwel altijd een studie naast doen. Dan ligt zo’n keuze voor een maatschappelijke carrière meer voor de hand dan wanneer je een topsporter bent die geen andere diepgewortelde ambitie heeft. Toch zal ik altijd van de sport blijven houden en mijzelf sportieve doelen blijven stellen. Ik hou sowieso een link naar de sport door mijn ambassadeurschap van het Jeugdsportfonds in Rotterdam. Dit fonds zorgt ervoor dat kinderen van kansarme gezinnen de kans krijgen om te sporten. Ook wil ik als olympisch kampioen graag presentaties blijven geven aan bedrijven. Maar goed, hoe mooi het ook allemaal was en hoezeer ik ook heb genoten van mijn sportcarrière, het is nu tijd voor andere dingen.”