Streven naar variatie

Huisarts Conny van Bentum is de teamarts van de Nederlandse hockeyploeg. Zelf was ze wedstrijdzwemster en won ze in de jaren tachtig tal van medailles, waaronder brons op de Olympische Spelen van 1980 in Moskou. “Het was een prachtige tijd, maar ik had wel meer rust moeten durven nemen.” 

Tekst: Wout de Bruijne Beeld: De Beeldredaktie/Herbert Wiggerman

Nu begrijp ik waarom jullie mij willen interviewen”, grapt Conny van Bentum (54) als ze hoort dat ‘sport’ het thema is van het novembernummer van Arts en Auto. Ze ontvangt ons in haar sfeervolle spreekkamer in Medisch Centrum Nieuwland in een Vinex-wijk in Amersfoort. In de ruimte staan diverse medische instrumenten uit vroeger tijden. 

Over andere tijden gaat het ook als de zwemcarrière van Van Bentum ter sprake komt. “De DDR- zwemsters wonnen in de jaren tachtig met behulp van anabole steroïden alle gouden plakken op EK’s, WK’s en Olympische Spelen. Wij grepen ernaast. Ik fantaseer heel soms nog weleens over hoe het anders gelopen zou zijn. Maar ik ben niet rancuneus. Ík heb er tenminste geen lichamelijke klachten aan overgehouden.” 

De vele medailles die Van Bentum desondanks behaalde, kreeg ze niet cadeau. Zij groeide op in Barneveld als jongste van vier meisjes. Haar zussen zwommen en Conny koos daar ook voor. “Ik begon op mijn zesde en had het geluk dat er net een heel goede trainster in Barneveld begon. Zij ontwikkelde onze talenten en zette de zwemvereniging uit ‘dat dorpje op de Veluwe’ op de kaart.” 

Toen Conny tien jaar was overleed na een lang ziekbed haar vader op 49-jarige leeftijd. “Mijn ouders en later alleen mijn moeder konden er daardoor vrijwel nooit bij zijn.” Van Bentum vindt dat nog steeds een gemis. “Mijn vader heeft mij in 1975, ik was nog net negen, wel zilver zien halen op de Nederlandse Kampioenschappen. Hij ging daarvoor vanuit het ziekenhuis per taxi heen en weer. Mijn moeder is nooit bij Olympische Spelen of bij een EK of WK geweest, maar dat is natuurlijk allemaal begrijpelijk.”  

Naar haar eerste Olympische Spelen, in 1980 in Moskou – Van Bentum won er brons met de estafetteploeg – ging een andere ‘moeder’ mee. “Een oudere teammanager lette op de jonkies in onze ploeg. Ik was met veertien de jongste en trok op met twee ploeggenootjes van vijftien en zestien.” Lachend: “Zij mochten om tien uur ’s avonds naar bed, ik moest om negen uur.” Van Bentum dacht vaak aan die Spelen terug toen haar eigen dochter veertien werd. “Ik kan het niet aan mijn moeder vragen, want ze leeft niet meer, maar hoe zou zij het hebben ervaren dat haar toenmalige puber een maand zo ver van huis was?”

Hoewel de zwemster in haar jeugd dus veel zelf moest organiseren, vond zij dat pas echt een uitdaging worden toen ze ging studeren. “Ik studeerde medicijnen in Utrecht en woonde daar op kamers, maar ik zwom in Amsterdam, omdat ik me fijner voelde tussen de leeftijdgenoten en studenten op de zwemclub daar.” 

Dat betekende wel dat van Bentum doordeweeks dagelijks om vijf uur op moest. “Ik haalde eerst een teamgenootje op en samen reden we naar Amsterdam. Van zes tot acht trainden we en daarna reden we terug naar Utrecht. Daar kroop ik nog even in bed en liet ik het eerste college meestal schieten. Vervolgens naar de universiteit en tegen vieren verexcuseren bij de docenten en haasten naar Amsterdam voor de training van vijf tot zeven. Zaterdags was er maar één training en daarna waren er wedstrijden op die dag en/of op zondag. Een enkele keer was je weleens vrij op zondag.”

‘Ik heb mij ondanks alle hectiek toch altijd een bevoorrecht mens gevoeld’ 

Ondanks de hectiek zegt Van Bentum toch altijd van het trainen, zwemmen, reizen én studeren te hebben genoten en zich een bevoorrecht mens te voelen. “Ja, geweldig toch, dat je dat allemaal kan en mag. Ik zou het zo opnieuw doen. Maar ik was wel vaak moe. Gek he?,” lacht de voormalig topzwemster. “Na vijf minuten in de bus was ik in diepe slaap. Achteraf gezien had ik meer rust moeten durven nemen. Maar ja, dacht ik, als ik niet train, doen ze dat in de DDR wél en dan raak ik achterop. Ik moest veel zelf beslissen, wij hadden destijds geen sportpsychologen en inspanningsfysiologen die op je letten.” 

Toen Van Bentum coschappen ging lopen, lukte het combineren niet meer en gaf zij de topsport op. Hoewel ze lang had gedacht sportarts te worden en daar ook haar afstudeerstage voor deed, werd ze huisarts. “Een sportarts heeft vooral te maken met gemotiveerde gezonde mensen. Ik zocht meer afwisseling, meer facetten zien, van geboorte tot terminaal ziek en alles daartussenin.” 

Huisarts Van Bentum keerde kort na haar afstuderen van 1995 tot 1999 toch terug in de sport als teamarts van de nationale dameshockeyploeg. Daarna was ze ruim tien jaar ‘alleen’ huisarts. Hoewel, alleen… het gezin groeide in die tijd uit tot een vijftal. Daar zitten volgens haar geen toekomstige artsen en topzwemmers bij.   

In 2010 werd Van Bentum opnieuw teamarts van de hockeydames. Dat bleef ze tot de Olympische Spelen van 2016 in Rio. Daarna switchte zij naar de nationale hockeyhéren. Ze begeleidt hen op alle internationale toernooien en – op moment van dit interview nog onbekend – hopelijk ook naar de Olympische Spelen in Tokyo volgend jaar. Daar waakt zij over hygiëne en voeding en behandelt zij blessures van onze heren. “Het werk bij de vrouwen of mannen is niet heel verschillend, maar één ding was heel anders. Ik moest echt mijn best doen om het vertrouwen van de mannen te winnen. Eén op één bij een blessurebehandeling ging dat goed, maar en groupe waren er de nodige reserves. Pas toen voor het eerst een ranzige mop werd verteld terwijl ik erbij was, was het ijs gebroken. Nu word ik ook betrokken bij ups en downs en hoor ik er helemaal bij.”  

Het beroep van huisarts is het mooiste dat er bestaat, maar het wordt wel steeds zwaarder

Van Bentum raadt collega’s aan om er naast het reguliere werk een andere activiteit bij te hebben. “Goed tegen een burn-out. Het beroep van huisarts is het mooiste dat er bestaat, maar het wordt wel steeds zwaarder. Niet alleen door de beruchte regeldruk, maar ook door de vaak enorme beslissingen die je in tien minuten moet nemen. Met name op de huisartsenpost heb je daarbij te maken met mensen die je niet eens kent.”  

Van Bentum is voor 60 procent van de tijd huisarts en geniet daarvan, maar: “Ik wil het niet fulltime doen. Om iets goed vol te houden, moet je oprecht leuk blijven vinden wat je doet en variatie is daarbij cruciaal. Je moet tenslotte geen blijvende blessures oplopen, ook geen geestelijke.”

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*