Tandarts & topatleet

Leonie van Vliet brak vorig jaar definitief door. Met de estafetteploeg mocht ze naar de Olympisch Spelen. Dit jaar wil de sprinter zich ook individueel met de top meten. Het verschil met haar concurrenten is dat zij werkt naast haar topsportcarrière, als tandarts in Leek. “Zonder te werken, loop ik niet harder.”

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: De Beeldredaktie/Siese Veenstra

Een jaar geleden, mei 2021. Leonie van Vliet is aan het trainen op de atletiekbaan in Groningen. Daar traint ze acht keer in de week, gemiddeld twee uur per trainingssessie. Daarnaast werkt ze twee dagen in de week als zzp-tandarts in een mondzorgcentrum in Leek. ‘Telefoon!’, wordt er van de kant geroepen. De bondscoach hangt aan de lijn. Hij heeft een mededeling: Van Vliet mag mee naar de Olympische Spelen. “Ik was zó ontzettend blij”, blikt de tandarts (29) terug op dat moment. “Kon bijna niet geloven dat het echt zo was. Ik ben in het krachthonk gaan zitten en heb een halfuur voor me uitgestaard.” 

Zittend in dat krachthonk denkt ze terug aan de weg die ze heeft afgelegd. Op haar dertiende begint Van Vliet met atletiek, vanaf haar zestiende focust ze zich op het sprinten. Als ze tandheelkunde gaat studeren – “Ik heb altijd tandarts willen worden” – zet ze de sport op een laag pitje, om het vervolgens toch weer serieus op te pakken. “Bij de junioren haalde ik vaak wel de finales, maar nooit won ik een medaille. Ik heb niet zoveel talent als anderen, maar ik ben wel heel belastbaar en kan goed en hard trainen.” Maar hard trainen en een studie tandheelkunde is een pittige combinatie. “Om 7.00 uur stond ik op de atletiekbaan. Van 8.30 tot 16.30 uur was ik op de universiteit. Daarna ging ik weer trainen en dan moest ik nog studeren. Regelmatig zat ik tot 1.00 uur ’s nachts met mijn neus in de boeken.” 

‘Hard trainen en een studie tandheelkunde is een pittige combinatie’

Als ze in haar vierde studiejaar voor het eerst een medaille bij de Nederlandse kampioenschappen haalt, krijgt Van Vliet een topsportstatus. “Daarmee zouden studie en sport makkelijker te combineren moeten zijn, maar dat viel tegen. Ik moest patiënten behandelen en dat kon niet op een ander moment. Gelukkig had ik een paar docenten die het leuk vonden dat ik aan topsport deed. Met hen kon ik soms wel wat regelen.”

Onrechtvaardig 

De Spelen in Tokio zijn voor haar altijd een doel geweest, maar in de aanloop gooit COVID-19 roet in het eten. “Trainingsstages gingen niet door. De atletiekbaan ging dicht en omdat ik nog geen A-status van NOC*NSF had, kon ik helemaal niet trainen, terwijl mijn concurrenten met A-status zich wel konden voorbereiden. Dat was moeilijk. Voelde onrechtvaardig. Toen heb ik de Spelen uit mijn hoofd gezet.” 

Maar dan worden de Spelen uitgesteld. “Daardoor had ik ineens een jaar extra. Ik kon goed en veel trainen, kende weinig blessures en ging steeds harder lopen.” De beloning volgt in de vorm van een ticket naar Tokio. Van Vliet wordt geselecteerd voor de 4×100-meterestafetteploeg. Als zesde, dus de kans dat ze mag lopen, is klein. “Alle meiden liepen ongeveer even snel, maar ik had de minste estafettetrainingen gedaan. Dat de keus niet op mij viel, begreep ik dus wel. Hoe meer ervaring, hoe kleiner de kans op een fout. Vooraf had ik daar wel vrede mee, maar eenmaal in Tokio was ik toch wel teleurgesteld.” Helemaal nadat er tóch iets misgaat bij een wissel en Nederland wordt gediskwalificeerd in de olympische finale. 

Beste afstand

Toch kijkt Van Vliet met een overwegend positief gevoel terug. “Het was een bijzondere ervaring en het heeft me extra motivatie gegeven om er op andere grote toernooien écht te staan.” Die kansen dienen zich deze zomer aan. Half juli is het WK Atletiek in Oregon en in augustus is het EK in München. Tijdens beide toernooien hoopt Van Vliet onderdeel uit te maken van de estafetteploeg. Op het moment van schrijven is ze dit jaar de op een-na-snelste Nederlandse vrouw op de 100 meter, dus dat zou een selectie én, anders dan in Tokio, een startplek betekenen. Maar ze wil meer. De tandarts wil zich óók individueel met de top meten en aast op een ticket voor de 200 meter. “Dat is mijn beste afstand.” Op dit moment loopt ze drie tiende boven de WK-limiet en één tiende boven de EK-limiet. “Drie tiende is best veel. Ik richt mijn pijlen vooral op het EK. Die limiet moet ik kunnen lopen.”

‘Blij dat ik nog een leven naast de baan heb’

Daar doet en laat ze alles voor, maar haar werk in de tandartspraktijk zet ze er niet voor on hold. “Topsport kan je helemaal opslokken. Als je goed en fit bent, is het hartstikke leuk, maar op momenten dat je minder goed bent of geblesseerd bent, is het een eenzaam bestaan. Daarom ben ik blij dat ik nog een leven naast de baan heb. Het is weleens stressvol als er doordeweeks een wedstrijd wordt ingepland en patiënten moeten worden afgebeld. Die stress hebben fulltimesporters niet, maar ik zou echt niet willen ruilen. Zonder te werken, loop ik niet harder. Het helpt me relativeren, het helpt me soms even afstand te nemen én ik vind het ontzettend leuk. Ik zie er ook wel naar uit om me straks volledig op tandheelkunde te richten. Misschien ooit een eigen praktijk. Maar eerst deze zomer volop knallen. En dan is het nog maar twee jaar tot de Spelen in Parijs…”